Chapter, Verse
1 1, 17| Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen
2 1, 23| hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de
3 1, 24| 24 Hij nam het zilver en het goud,
4 1, 24| kostelijke vaten; en hij nam ook de verborgen schatten,
5 3, 31| twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar
6 3, 37| 37 En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten
7 4, 1 | 1 En Gorgias nam tot zich vijfduizend man
8 4, 35| trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn
9 5, 28| naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al
10 5, 35| en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat
11 5, 36| En hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor,
12 6, 19| 19 Zo nam Judas zich voor deze te
13 6, 50| 50 En de koning nam Bethsura in, en stelde daar
14 6, 63| hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~
15 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid des
16 9, 53| 53 En hij nam de zonen van de overste
17 9, 69| er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun
18 9, 71| 71 En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar
19 10, 1 | toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen
20 10, 49| het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander
21 10, 84| de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde
22 11, 12| 12 En hij nam zijn dochter weg, en gaf
23 11, 24| 24 En hij nam met zich zilver, en goud
24 11, 61| hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten
25 11, 65| verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde
26 12, 33| week heen naar Joppe, en nam het in.~
27 13, 20| dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar
28 13, 25| Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder
29 13, 43| brak daarmee een toren, en nam hem in.~
30 14, 7 | Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg,
31 14, 14| onderzocht naarstig de wet, en nam weg alle verbrekers der
32 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed,
|