Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zegening 1
zeggen 6
zeggende 26
zeide 31
zeiden 19
zeker 1
zekere 2
Frequency    [«  »]
32 wapenen
31 plaats
31 wet
31 zeide
30 onder
30 woorden
29 mijn

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

zeide

   Chapter, Verse
1 2, 7 | 7 En zeide: Ach mij, waarom ben ik 2 2, 19| Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware 3 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste: Indien 4 2, 49| Mattathias zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is 5 3, 13| ten strijde uittrokken, en zeide:~ 6 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht dat velen 7 3, 42| verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:~ 8 3, 58| 58 En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke 9 4, 5 | hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.~ 10 4, 8 | 8 Zo zeide Judas tot de mannen die 11 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk: Begeert hun 12 4, 30| ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder 13 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: 14 5, 31| met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~ 15 5, 40| 40 En Timotheüs zeide tot de oversten van zijn 16 6, 10| al zijn vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt 17 7, 3 | hem deze zaak bekend werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten 18 7, 40| man, en Judas bad God, en zeide:~ 19 9, 8 | 8 En zeide tot de overgeblevenen: Laat 20 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van mij, 21 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen die met hem 22 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen 23 10, 16| 16 Zo zeide hij: Zouden wij ook een 24 10, 22| dingen, en werd bedroefd, en zeide:~ 25 10, 55| Ptolomeüs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop 26 10, 63| 63 En zeide tot zijn oversten: Gaat 27 12, 46| gelovende, deed gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk 28 13, 3 | 3 En vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf, 29 15, 28| met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd 30 15, 33| En Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het 31 16, 2 | zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License