Chapter, Verse
1 2, 7 | 7 En zeide: Ach mij, waarom ben ik
2 2, 19| Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware
3 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste: Indien
4 2, 49| Mattathias zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is
5 3, 13| ten strijde uittrokken, en zeide:~
6 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht dat velen
7 3, 42| verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:~
8 3, 58| 58 En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke
9 4, 5 | hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.~
10 4, 8 | 8 Zo zeide Judas tot de mannen die
11 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk: Begeert hun
12 4, 30| ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder
13 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn broeder:
14 5, 31| met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~
15 5, 40| 40 En Timotheüs zeide tot de oversten van zijn
16 6, 10| al zijn vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt
17 7, 3 | hem deze zaak bekend werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten
18 7, 40| man, en Judas bad God, en zeide:~
19 9, 8 | 8 En zeide tot de overgeblevenen: Laat
20 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van mij,
21 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen die met hem
22 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen
23 10, 16| 16 Zo zeide hij: Zouden wij ook een
24 10, 22| dingen, en werd bedroefd, en zeide:~
25 10, 55| Ptolomeüs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop
26 10, 63| 63 En zeide tot zijn oversten: Gaat
27 12, 46| gelovende, deed gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk
28 13, 3 | 3 En vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf,
29 15, 28| met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd
30 15, 33| En Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het
31 16, 2 | zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders,
|