Chapter, Verse
1 1, 36| zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden
2 1, 52| onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de
3 1, 56| tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel
4 1, 60| verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat zij
5 1, 61| verbonds, en zo iemand de wet toestond, die doodden zij
6 2, 21| dat wij niet verlaten de wet en de rechten.~
7 2, 26| 26 En hij ijverde voor de wet, gelijk eertijds Pinehas
8 2, 27| ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt,
9 2, 42| een ieder die gewillig de wet hield.~
10 2, 48| 48 Zij bevrijdden de wet uit de hand der heidenen,
11 2, 50| kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor
12 2, 58| hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen
13 2, 64| houdt u als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt
14 2, 67| tot u brengen allen die de wet doen, en zult de wraak uws
15 2, 68| houdt u aan de geboden der wet.~
16 3, 48| En breidden de boeken der wet uit, waarnaar de heidenen
17 3, 56| naar zijn huis, volgens de wet.~
18 4, 42| onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.~
19 4, 47| namen gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw
20 4, 53| En zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar der
21 7, 5 | kwamen alle verbrekers der wet, en goddeloze mannen in
22 9, 23| dat alle verbrekers der wet in de landpalen van Israël
23 9, 58| En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden:
24 10, 14| overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden,
25 10, 61| uit Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen.
26 11, 21| haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen
27 13, 48| te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte
28 14, 14| hij onderzocht naarstig de wet, en nam weg alle verbrekers
29 14, 14| weg alle verbrekers der wet en alle bozen.~
30 14, 29| opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden
31 15, 21| hij hen straffe naar hun wet.~
|