Chapter, Verse
1 1, 1 | geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat
2 1, 8 | regeerden een ieder in zijn plaats.~
3 3, 1 | zijn zoon, stond op in zijn plaats;~
4 3, 35| hun gedachtenis van die plaats weg te nemen.~
5 3, 46| tegenover Jeruzalem, omdat de plaats des gebeds tevoren te Mizpa
6 4, 43| brachten ze in een onreine plaats.~
7 4, 46| het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet zou
8 5, 51| ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen
9 6, 17| om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd
10 6, 54| verstrooid, een ieder in zijn plaats.~
11 6, 57| leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk,
12 6, 62| en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed, die
13 9, 30| overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste, om onze
14 9, 31| aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.~
15 9, 45| kreupelbos, en daar is geen plaats om te ontwijken.~
16 10, 13| En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.~
17 10, 73| geen steen, noch rots, noch plaats is om te vlieden.~
18 11, 14| omdat de inwoners dezer plaats afvielen.~
19 11, 33| Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten,
20 11, 36| een bekwame en vermaarde plaats.~
21 11, 37| gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde
22 11, 39| opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde
23 12, 4 | aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden
24 12, 37| is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.~
25 13, 8 | Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw
26 13, 14| dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan,
27 13, 32| regeerde als koning in zijn plaats; en zette op de koninklijke
28 14, 17| Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester was geworden,
29 14, 48| heiligdom, in een aanzienlijke plaats.~
30 15, 31| 31 Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten
31 16, 3 | in mijn en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt
|