1-500 | 501-1000 | 1001-1161
Chapter, Verse
501 7, 18| zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden,
502 7, 19| heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen
503 7, 20| Bacchides trok heen naar de koning.~
504 7, 23| En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en
505 7, 23| die met hem waren onder de kinderen Israëls deden meer
506 7, 23| kinderen Israëls deden meer dan de heidenen,~
507 7, 24| 24 Trok uit in al de landpalen van Judea rondom,
508 7, 24| rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen
509 7, 25| Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond
510 7, 25| zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde
511 7, 26| 26 En de koning zond Nicanor, een
512 7, 29| groetten elkander vreedzaam. En de vijanden waren gereed om
513 7, 32| 32 En daar vielen aan de zijde van Nicanor omtrent
514 7, 32| mannen, en zij vloden in de stad Davids.~
515 7, 33| zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen
516 7, 33| en daar gingen enigen van de priesters uit het heiligdom,
517 7, 33| heiligdom, en enigen van de ouderlingen des volks, om
518 7, 33| het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.~
519 7, 36| 36 En de priesters gingen in de tempel,
520 7, 36| En de priesters gingen in de tempel, en stonden voor
521 7, 36| stonden voor het altaar en de tempel, en weenden en zeiden:~
522 7, 41| Eertijds als degenen die door de koning Sanherib gezonden
523 7, 42| leger heden voor ons, opdat de overgeblevenen mogen leren,
524 7, 43| 43 En de legers kwamen met elkander
525 7, 43| elkander te strijden, op de dertiende dag der maand
526 7, 43| vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd
527 7, 45| en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.~
528 7, 46| vlekken van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen,
529 7, 47| 47 En zij kregen de buit en de roof, en het
530 7, 47| En zij kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor,
531 7, 49| zo zou gehouden worden, de dertiende van de maand Adar.~
532 7, 49| worden, de dertiende van de maand Adar.~
533 8, 1 | 1 En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij
534 8, 2 | zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen
535 8, 3 | Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver
536 8, 3 | en lankmoedigheid, hoewel de plaatsen zeer ver van hen
537 8, 4 | 4 En de koningen, die van het uiterste
538 8, 4 | nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks
539 8, 5 | tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld en hen
540 8, 6 | En onder dezen Antiochus de Grote, koning van Azië,
541 8, 8 | hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden.~
542 8, 9 | vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan,~
543 8, 11| 11 En dat zij de overige koninkrijken en
544 8, 17| Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon
545 8, 17| Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason,
546 8, 17| zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij
547 8, 19| zij reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen
548 8, 19| zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden en
549 8, 20| Makkabeüs en zijn broeders en de menigte der Joden hebben
550 8, 22| dit was het afschrift van de brief, welke zij schreven
551 8, 23| 23 Dat het de Romeinen en het volk der
552 8, 23| eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen
553 8, 25| volle genegenheid des harten de Romeinen in de oorlog bijstaan,
554 8, 25| des harten de Romeinen in de oorlog bijstaan, zoals de
555 8, 25| de oorlog bijstaan, zoals de gelegenheid des tijds hun
556 8, 26| noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en
557 8, 27| mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog
558 8, 27| zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte,
559 8, 27| bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.~
560 8, 28| noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht,
561 8, 29| Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk der
562 8, 31| aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen
563 8, 31| vrienden en bondgenoten de Joden?~
564 9, 1 | Nicanor en zijn krijgsvolk de oorlog gevoerd hadden, zo
565 9, 1 | naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn
566 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt,
567 9, 3 | 3 En in de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste
568 9, 6 | 6 En zij zagen de menigte des krijgsvolks,
569 9, 7 | leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in
570 9, 8 | 8 En zeide tot de overgeblevenen: Laat ons
571 9, 11| en stond tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in
572 9, 11| met bogen vochten hadden de voortocht voor het krijgsvolk,
573 9, 11| voor het krijgsvolk, en al de machtigen waren gesteld
574 9, 12| 12 En Bacchides was bij de rechtervleugel des krijgsvolks,
575 9, 12| rechtervleugel des krijgsvolks, en de slagorden, bestaande uit
576 9, 12| naderden, en zij bliezen de trompetten.~
577 9, 13| Judas waren bliezen ook zelf de trompetten, zodat de aarde
578 9, 13| zelf de trompetten, zodat de aarde van het geluid des
579 9, 13| van des morgens vroeg tot de avond toe.~
580 9, 14| sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al
581 9, 15| 15 En de rechtervleugel werd geslagen
582 9, 15| en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe.~
583 9, 16| 16 En die in de linkervleugel waren, ziende
584 9, 16| linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld
585 9, 16| omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de
586 9, 16| de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.~
587 9, 17| 17 En de strijd werd geweldig, en
588 9, 17| vielen vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde.~
589 9, 17| gekwetsten aan de ene en de andere zijde.~
590 9, 18| 18 En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht.~
591 9, 18| ook, en de overigen namen de vlucht.~
592 9, 21| 21 Hoe is de machtige gevallen, die Israël
593 9, 22| die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan,
594 9, 23| 23 En het geschiedde na de dood van Judas, dat alle
595 9, 23| alle verbrekers der wet in de landpalen van Israël tevoorschijn
596 9, 26| 26 En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden
597 9, 27| er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet
598 9, 28| 28 Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden,
599 9, 29| om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides,
600 9, 31| aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.~
601 9, 33| dat vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden
602 9, 34| dit vernemende, kwam op de dag des sabbats, met al
603 9, 34| al zijn krijgsvolk over de Jordaan.~
604 9, 35| broeder, die overste was over de schare, om aan de Nabatheeën,
605 9, 35| was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden,
606 9, 36| 36 En de kinderen van Ambri deden
607 9, 37| Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote
608 9, 37| dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was
609 9, 37| dochter was van een van de grote heren van Kanaän,
610 9, 38| verborgen in een hol van de berg.~
611 9, 39| en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden
612 9, 40| vele gekwetsten vielen, en de overgeblevenen vloden naar
613 9, 40| overgeblevenen vloden naar de berg; en zij kregen al hun
614 9, 41| 41 En zo werd de bruiloft veranderd in treuren,
615 9, 42| broeder, en keerden weder aan de kant van de Jordaan.~
616 9, 42| keerden weder aan de kant van de Jordaan.~
617 9, 43| Bacchides horende. kwam op de dag van de sabbat tot de
618 9, 43| horende. kwam op de dag van de sabbat tot de oever van
619 9, 43| de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met
620 9, 43| sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel krijgsvolk.~
621 9, 45| 45 Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter
622 9, 45| achter ons, en het water van de Jordaan is aan de ene en
623 9, 45| water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde,
624 9, 45| Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook het
625 9, 46| Roept dan nu tot God in de hemel, dat gij uit de handen
626 9, 46| in de hemel, dat gij uit de handen der vijanden moogt
627 9, 47| 47 En de strijd ving aan, en Jonathan
628 9, 48| met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwemmen over,
629 9, 48| en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.~
630 9, 49| 49 En aan de zijde van Bacchides vielen
631 9, 50| sterke steden in Judea, en de sterkte in Jericho, en Bethel,
632 9, 52| 52 En hij maakte de stad van Bethsura sterk,
633 9, 53| 53 En hij nam de zonen van de overste des
634 9, 53| En hij nam de zonen van de overste des lands tot gijzelaars,
635 9, 53| gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te
636 9, 54| honderdendrieënvijftigste jaar, in de tweede maand, gebood Alcimus
637 9, 54| maand, gebood Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof
638 9, 54| Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof des heiligdoms
639 9, 54| afgebroken worden, en hij verbrak de werken der profeten, en
640 9, 57| was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda
641 9, 58| 58 En al de verbrekers der wet hielden
642 9, 61| 61 En zij grepen van de mannen des lands, die bewerkers
643 9, 62| vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij
644 9, 62| afgebroken was, en maakte de stad sterk.~
645 9, 65| liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in
646 9, 66| Odomer en zijn broeders, en de zonen van Fasiron in hun
647 9, 67| hem waren, uitgevallen uit de stad, en verbrandde de instrumenten
648 9, 67| uit de stad, en verbrandde de instrumenten van geweld.~
649 9, 70| hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij
650 9, 71| 71 En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar
651 9, 71| zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.~
652 9, 72| 72 En hij gaf hem de gevangenen over, die hij
653 9, 73| te richten, en maakte dat de goddelozen in Israël niet
654 10, 1 | honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd
655 10, 2 | 2 En de koning Demetrius dat horende,
656 10, 6 | krijgsvolk te vergaderen, en de wapenen gereed te maken;
657 10, 6 | dat hij zijn medegenoot in de wapenen zou zijn; en de
658 10, 6 | de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht
659 10, 6 | en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij
660 10, 7 | hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en
661 10, 7 | en van degenen, die op de burcht waren.~
662 10, 8 | vreze, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven
663 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven de gijzelaars
664 10, 9 | op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan,
665 10, 10| Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te
666 10, 11| 11 En hij gebood de werklieden, dat zij de muren
667 10, 11| gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen en
668 10, 11| muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante
669 10, 12| 12 En de vreemdelingen, die in de
670 10, 12| de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides
671 10, 14| overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten
672 10, 14| van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden,
673 10, 15| 15 En Alexander, de koning, horende de beloften,
674 10, 15| Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius
675 10, 15| zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden,
676 10, 15| had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan
677 10, 18| 18 De koning Alexander wenst zijn
678 10, 20| volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden,
679 10, 21| 21 En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende
680 10, 21| trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste
681 10, 23| vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te
682 10, 25| schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het
683 10, 26| 26 Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden,
684 10, 29| ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en
685 10, 29| gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de impost
686 10, 29| Joden, van de tollen, en van de impost van het zout, en
687 10, 29| impost van het zout, en van de kroongelden, en van het
688 10, 30| 30 En van de helft der boomvruchten,
689 10, 32| 32 Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem
690 10, 32| Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over,
691 10, 32| Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin
692 10, 33| om niet, en allen zullen de schattingen kwijtgescholden
693 10, 34| al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk
694 10, 36| 36 En uit de Joden zullen tot de krijgslieden
695 10, 36| uit de Joden zullen tot de krijgslieden des konings
696 10, 36| gaven geven, gelijk betaamt de krijgslieden des konings.
697 10, 36| gesteld worden enigen in de grote sterkten des konings;~
698 10, 37| ook gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar
699 10, 37| naar hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in
700 10, 38| 38 En aangaande de drie streken, die van het
701 10, 38| onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.~
702 10, 39| 39 De stad Ptolomaïs, en het land
703 10, 39| heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom
704 10, 40| vijftienduizend sikkelen zilver van de rekeningen des konings uit
705 10, 40| rekeningen des konings uit de plaatsen die hem toebehoren.~
706 10, 41| niet hebben gegeven van de behoeften, gelijk in de
707 10, 41| de behoeften, gelijk in de eerste jaren, dat zullen
708 10, 41| zij van nu aan geven tot de werken des tempels.~
709 10, 42| 42 En boven deze, de vijfduizend sikkelen zilver,
710 10, 42| zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in de
711 10, 42| de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse
712 10, 42| gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des
713 10, 42| kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die
714 10, 42| priesters toebehoren, die de dienst doen.~
715 10, 43| 43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen
716 10, 43| zullen vluchten, en die in al de landpalen daarvan het recht
717 10, 44| opbouwen en vernieuwen van de werken des heiligdoms zullen
718 10, 44| werken des heiligdoms zullen de kosten gegeven worden uit
719 10, 44| kosten gegeven worden uit de rekening van de koning.~
720 10, 44| worden uit de rekening van de koning.~
721 10, 45| 45 Ook om de muren van Jeruzalem op te
722 10, 45| rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden uit
723 10, 45| kosten gegeven worden uit de rekening des konings; en
724 10, 45| ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.~
725 10, 47| Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden
726 10, 48| 48 En de koning Alexander vergaderde
727 10, 49| leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde
728 10, 49| vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.~
729 10, 50| hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang der
730 10, 50| aanhield in de slag, tot de ondergang der zon toe, zo
731 10, 51| Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten,
732 10, 52| koninkrijk, en gezeten ben op de troon mijner vaderen, en
733 10, 53| en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;~
734 10, 55| 55 En de koning Ptolomeüs antwoordde,
735 10, 55| antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop gij zijt wedergekeerd
736 10, 55| vaderen, en gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.~
737 10, 58| 58 En de koning Alexander ontmoette
738 10, 58| bruiloft in Ptolomaïs, gelijk de koningen, in grote heerlijkheid.~
739 10, 59| 59 En de koning Alexander schreef
740 10, 60| Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en
741 10, 61| hem te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.~
742 10, 62| 62 Maar de koning gebood dat men Jonathan
743 10, 62| aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;~
744 10, 63| met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen,
745 10, 65| 65 En de koning verheerlijkte hem,
746 10, 65| en tot een metgezel in de regering.~
747 10, 67| honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van
748 10, 69| Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:~
749 10, 70| geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in de
750 10, 70| de meester tegen ons in de bergen?~
751 10, 71| strijden, want bij mij is de macht der steden.~
752 10, 72| leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen;
753 10, 72| daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen in
754 10, 73| niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote
755 10, 75| Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting
756 10, 75| sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius
757 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende, deden open
758 10, 79| achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar
759 10, 81| van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond
760 10, 82| voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij
761 10, 82| aan op de slagorden, want de ruiterij was afgemat, en
762 10, 83| 83 En de ruiterij werd verstrooid
763 10, 83| Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod, om
764 10, 84| Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam
765 10, 84| haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen,
766 10, 86| tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet
767 10, 88| En het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen
768 10, 89| een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden
769 10, 89| gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen
770 10, 89| gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar
771 11, 1 | 1 De koning van Egypte vergaderde
772 11, 1 | gelijk daar is het zand aan de oever der zee en vele schepen,
773 11, 2 | vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de poorten,
774 11, 2 | van de steden openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet,
775 11, 2 | tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat
776 11, 3 | 3 En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij
777 11, 4 | kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur
778 11, 4 | voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen,
779 11, 4 | lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan
780 11, 4 | Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden
781 11, 5 | 5 En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan
782 11, 5 | hem veracht te maken; en de koning zweeg,~
783 11, 6 | 6 En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe
784 11, 7 | 7 En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd
785 11, 7 | reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus,
786 11, 8 | 8 De koning Ptolomeüs nu, de
787 11, 8 | De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij verkregen hebbende
788 11, 8 | verkregen hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe,
789 11, 8 | tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht tegen
790 11, 9 | En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende:
791 11, 14| 14 En de koning Alexander was op
792 11, 14| die tijd in Cilicië, omdat de inwoners dezer plaats afvielen.~
793 11, 15| macht, en hij sloeg hem in de vlucht.~
794 11, 16| mocht beschermd zijn. Doch de koning Ptolomeüs werd verhoogd.~
795 11, 17| 17 En Zabdiël, de Arabier, sloeg Alexander
796 11, 18| 18 En de koning Ptolomeüs stierf
797 11, 18| koning Ptolomeüs stierf de derde dag daarna, en degenen,
798 11, 20| Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te
799 11, 21| volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen
800 11, 21| verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten
801 11, 21| boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~
802 11, 23| hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan,
803 11, 23| en hij verkoos enige van de ouderlingen Israëls, en
804 11, 23| ouderlingen Israëls, en van de priesters, en begaf zichzelf
805 11, 24| vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en
806 11, 26| 26 Doch de koning deed hem, gelijk
807 11, 26| gelijk hem gedaan hadden de koningen, die voor hem waren
808 11, 28| 28 En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en
809 11, 28| koning dat hij Judea, en de drie streken, en het land
810 11, 29| 29 En de koning vond dat goed, en
811 11, 30| 30 De koning Demetrius wenst zijn
812 11, 31| 31 Het afschrift van de brief, die wij geschreven
813 11, 33| hebben wij hun toegelegd de landpalen van Judea; de
814 11, 33| de landpalen van Judea; de drie streken, Aferema, Lydda
815 11, 33| offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die
816 11, 33| koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks
817 11, 33| gewas der aarde, en van de boomvruchten.~
818 11, 34| 34 En al de andere inkomsten, die ons
819 11, 34| die ons toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden
820 11, 34| toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren,
821 11, 36| geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame
822 11, 37| krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken
823 11, 38| murmureerde, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus,
824 11, 38| die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;~
825 11, 40| Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij
826 11, 40| dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en
827 11, 40| burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen
828 11, 43| mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd
829 11, 43| kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over
830 11, 44| 44 En die van de stad vergaderden in het
831 11, 44| vergaderden in het midden van de stad, omtrent honderdentwintigduizend
832 11, 44| honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.~
833 11, 45| 45 En de koning vluchtte op het koninklijke
834 11, 45| koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen
835 11, 45| en die van de stad namen de toegangen der stad in, en
836 11, 46| 46 En de koning riep de Joden te
837 11, 46| 46 En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden
838 11, 46| en verstrooiden zich door de stad.~
839 11, 47| 47 En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend
840 11, 47| honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen
841 11, 47| grote buit, en verlosten de koning.~
842 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat de Joden
843 11, 48| die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd
844 11, 48| stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden,
845 11, 48| geworden, en riepen tot de koning met smeking,~
846 11, 49| 49 Zeggende: Geef ons de rechter hand, en laat de
847 11, 49| de rechter hand, en laat de Joden ophouden ons en de
848 11, 49| de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.~
849 11, 50| weg, en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer,
850 11, 50| bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die
851 11, 51| 51 En de koning Demetrius ging zitten
852 11, 51| Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk,
853 11, 52| hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen
854 11, 53| koning, en hij zette hem de koninklijke hoed op.~
855 11, 54| En tot hem vergaderden al de krijgsknechten, die Demetrius
856 11, 54| en hij vlood, en werd op de vlucht gedreven.~
857 11, 55| 55 En Tryfon kreeg de beesten, en bemachtigde
858 11, 55| beesten, en bemachtigde de stad van Antiochië.~
859 11, 56| 56 En de jonge Antiochus schreef
860 11, 56| hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat gij
861 11, 56| streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult
862 11, 58| Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af, tot
863 11, 58| gewesten van Tyrus af, tot de landpalen van Egypte toe.~
864 11, 59| trok uit, en reisde over de rivier, door de steden,
865 11, 59| reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten
866 11, 59| rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van Syrië
867 11, 59| tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig
868 11, 61| Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam
869 11, 61| rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot
870 11, 62| 62 Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius te
871 11, 64| Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield
872 11, 65| En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben,
873 11, 65| verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting
874 11, 67| hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten
875 11, 68| 68 En de hinderlaag brak op uit haar
876 11, 69| bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet
877 11, 69| gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas
878 11, 69| zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten
879 11, 71| streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~
880 11, 73| 73 En daar vielen van de vreemden op die dag, tot
881 12, 1 | 1 Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds hem
882 12, 1 | en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen,
883 12, 2 | 2 En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere plaatsen
884 12, 3 | naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan,
885 12, 3 | raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk
886 12, 3 | weder voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap
887 12, 4 | zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats,
888 12, 5 | dit is het afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven
889 12, 5 | Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten:~
890 12, 6 | 6 Jonathan de hogepriester, en de raad
891 12, 6 | Jonathan de hogepriester, en de raad des volks, en de priesters,
892 12, 6 | en de raad des volks, en de priesters, en het andere
893 12, 6 | andere volk der Joden wensen de Spartiaten, hun broeders,
894 12, 7 | zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs,
895 12, 8 | 8 En daar Onias de man, die daarmee gezonden
896 12, 8 | eerlijk heeft ontvangen, en de brieven aangenomen, in welke
897 12, 9 | die tot onze troost hebben de heilige boeken, die in onze
898 12, 10| onderwonden aan u te zenden, om de broederschap en vriendschap,
899 12, 11| andere gevoegelijke dagen, in de ófferanden die wij offeren,
900 12, 11| behoort en betamelijk is de broederen gedachtig te zijn.~
901 12, 13| oorlogen omringen ons, en al de koningen, die rondom ons
902 12, 15| Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt,
903 12, 16| hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande
904 12, 16| gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en
905 12, 17| overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broederschap.~
906 12, 20| 20 Areüs, de koning der Spartiaten, wenst
907 12, 20| koning der Spartiaten, wenst de hogepriester Onias alle
908 12, 21| 21 Daar is in de schriften gevonden, aangaande
909 12, 21| schriften gevonden, aangaande de Spartiaten en de Joden,
910 12, 21| aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broeders
911 12, 24| En Jonathan, horende dat de oversten des konings Demetrius
912 12, 27| 27 Als nu de zon 'ondergegaan was, gebood
913 12, 27| waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed
914 12, 27| en zich gereed houden tot de strijd, de gehele nacht;
915 12, 27| gereed houden tot de strijd, de gehele nacht; en hij stelde
916 12, 28| 28 En de vijanden hoorden dat Jonathan
917 12, 28| en die met hem waren tot de strijd gereed waren, en
918 12, 29| waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen zagen
919 12, 29| morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden.~
920 12, 30| want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken.~
921 12, 31| Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd Zabadeeën,
922 12, 33| tot Askalon toe, en tot de naaste sterkten, en week
923 12, 34| 34 Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven
924 12, 35| Jonathan keerde weder, en riep de ouderlingen van het volk
925 12, 36| 36 En om de muren van Jeruzalem hoger
926 12, 36| op te maken midden tussen de burcht en de stad, om die
927 12, 36| midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad
928 12, 36| burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij
929 12, 37| 37 En zij vergaderden om de stad op te bouwen, en hij
930 12, 37| bouwen, en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan
931 12, 37| hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten
932 12, 37| oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.~
933 12, 38| Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendelen.~
934 12, 39| en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.~
935 12, 42| krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.~
936 12, 45| overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere
937 12, 45| al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en
938 12, 45| krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn,
939 12, 48| sloten die van Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem,
940 12, 54| ons hun gedachtenis uit de mensen uitroeien.~ ~
941 13, 3 | vaders gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom,
942 13, 3 | en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden,
943 13, 3 | heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien
944 13, 6 | vrouwen en kinderen; daar al de heidenen tezamen gekomen
945 13, 6 | gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap te vermorzelen.~
946 13, 7 | 7 En hij wekte de geest des volks op, doordat
947 13, 10| strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te
948 13, 10| bouwen, en hij versterkte de stad rondom.~
949 13, 11| 11 En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met
950 13, 15| schatkamer schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen
951 13, 17| spraken, zond het geld, en de twee zoontjes, opdat hij
952 13, 18| Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gezonden heeft,
953 13, 19| 19 Hij zond dan de zoontjes en honderd talenten;
954 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden gezanten
955 13, 21| hen zou willen komen door de woestijn, en hun proviand
956 13, 22| gesneeuwd, en hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op,
957 13, 25| Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder
958 13, 25| begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.~
959 13, 28| daarop zeven pyramiden, de ene recht over de andere,
960 13, 28| pyramiden, de ene recht over de andere, voor zijn vader,
961 13, 29| pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van
962 13, 29| worden door allen, die op de zee varen.~
963 13, 31| ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus,
964 13, 32| zijn plaats; en zette op de koninklijke hoed van Azië,
965 13, 33| 33 En Simon bouwde de sterkten van Judea op, en
966 13, 33| en bestelde proviand in de sterkten.~
967 13, 34| mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij
968 13, 34| zou willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel
969 13, 35| 35 En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens
970 13, 36| 36 De koning Demetrius wenst de
971 13, 36| De koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend
972 13, 36| wenst de hogepriester Simon, de vriend der koningen, en
973 13, 36| vriend der koningen, en de ouderlingen, en het ganse
974 13, 37| 37 De gouden kroon, en het bruine
975 13, 37| schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld zijn,
976 13, 38| hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten, die gij gebouwd
977 13, 39| 39 Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden,
978 13, 39| mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en de kroongelden
979 13, 39| op de dag van heden, en de kroongelden die gij schuldig
980 13, 42| het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was,
981 13, 43| voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte
982 13, 43| stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een
983 13, 44| stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde
984 13, 44| geschiedde een grote beroerte in de stad.~
985 13, 45| 45 En die van de stad kwamen op de muren
986 13, 45| die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen,
987 13, 45| biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven.~
988 13, 47| niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de
989 13, 47| de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren,
990 13, 47| waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en
991 13, 48| om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij
992 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren,
993 13, 50| riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven,
994 13, 50| vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen.~
995 13, 50| hij reinigde de burcht van de besmettingen.~
996 13, 51| deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van
997 13, 51| drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste
998 13, 53| 53 En hij versterkte de berg des tempels, die bij
999 13, 53| berg des tempels, die bij de burcht was, en hij ging
1000 13, 53| hij ging daar wonen met al de zijnen.~
1-500 | 501-1000 | 1001-1161 |