1-500 | 501-1000 | 1001-1161
Chapter, Verse
1001 14, 1 | honderdtweeënzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht,
1002 14, 2 | 2 Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië,
1003 14, 3 | Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~
1004 14, 4 | Het land was in rust al de dagen van Simon, want hij
1005 14, 4 | heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.~
1006 14, 5 | haven, en hij maakte dat de eilanden der zee een ingang
1007 14, 7 | vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden
1008 14, 7 | en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg,
1009 14, 8 | land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~
1010 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten,
1011 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, en spraken allen
1012 14, 9 | elkander van goede dingen, en de jongelingen deden heerlijke
1013 14, 10| 10 De steden voorzag hij van proviand,
1014 14, 13| hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld
1015 14, 14| 14 Hij versterkte al de nederigen zijns volks; hij
1016 14, 14| hij onderzocht naarstig de wet, en nam weg alle verbrekers
1017 14, 15| hij, en vermenigvuldigde de vaten van het heiligdom.~
1018 14, 17| land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;~
1019 14, 18| hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap
1020 14, 19| brieven werden gelezen voor de ganse gemeente te Jeruzalem.
1021 14, 19| afschrift der brieven, die de Spartiaten zonden:~
1022 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten
1023 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen
1024 14, 20| Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen,
1025 14, 20| Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters,
1026 14, 20| hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere
1027 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk
1028 14, 22| hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus:
1029 14, 22| zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met
1030 14, 23| van hun rede stellen in de boeken, voor ons volk daartoe
1031 14, 23| schreven zij aan Simon, de hogepriester.~
1032 14, 26| Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten
1033 14, 26| stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~
1034 14, 27| afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand
1035 14, 27| Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste
1036 14, 28| 28 In Sarameli, in de grote vergadering der priesters
1037 14, 28| en van het volk, en van de oversten van het volk, en
1038 14, 29| 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias, van
1039 14, 29| zoon van Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn
1040 14, 29| hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben
1041 14, 29| opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden
1042 14, 32| en bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht van
1043 14, 33| 33 En versterkte de steden van Judea, en Bethsura
1044 14, 33| van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar
1045 14, 33| van Judea, waar tevoren de wapenen der vijanden geweest
1046 14, 34| versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in
1047 14, 34| zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin
1048 14, 34| landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden
1049 14, 35| 35 Het volk zag de getrouwheid van Simon, en
1050 14, 35| getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn
1051 14, 35| deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw,
1052 14, 36| onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan
1053 14, 36| weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren te Jeruzalem;
1054 14, 36| grote plaag brachten onder de geheiligden.~
1055 14, 37| verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren
1056 14, 37| van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.~
1057 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde
1058 14, 40| Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd
1059 14, 40| gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun
1060 14, 40| bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer
1061 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd
1062 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat
1063 14, 42| die over het land en over de wapenen en over de sterkten
1064 14, 42| over de wapenen en over de sterkten opzicht zouden
1065 14, 44| niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd
1066 14, 48| dat men die zou zetten in de omgang van het heiligdom,
1067 14, 49| afschrift gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon en
1068 15, 1 | 1 En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius,
1069 15, 1 | En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven
1070 15, 1 | Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon,
1071 15, 1 | eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der
1072 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende inhoud: De koning
1073 15, 2 | van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon,
1074 15, 2 | koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste,
1075 15, 5 | Nu dan ik bevestig u al de vrijdommen, die u vrijgelaten
1076 15, 5 | die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest
1077 15, 5 | mij geweest zijn, en al de andere geschenken, die zij
1078 15, 7 | zullen vrij zijn, en al de wapenen, die gij bereid
1079 15, 7 | die gij bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd
1080 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig zijt, en
1081 15, 8 | schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij
1082 15, 9 | zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken met
1083 15, 10| land zijner vaderen, en al de krijgsmachten kwamen te
1084 15, 11| 11 En de koning Antiochus vervolgde
1085 15, 11| vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~
1086 15, 12| 12 Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht
1087 15, 12| samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.~
1088 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad, en voegde schepen
1089 15, 14| stad, en voegde schepen uit de zee te zamen, en benauwde
1090 15, 14| zee te zamen, en benauwde de stad te land en ter zee,
1091 15, 15| Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen,
1092 15, 15| brieven aan de koningen en aan de landen, in welke deze dingen
1093 15, 17| 17 De gezanten der Joden zijn
1094 15, 17| bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap
1095 15, 17| wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het
1096 15, 19| goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen,
1097 15, 19| aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet
1098 15, 21| levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij
1099 15, 22| heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan
1100 15, 23| landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos,
1101 15, 23| en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, en
1102 15, 24| daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~
1103 15, 25| 25 En de koning Antiochus belegerde
1104 15, 25| Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn
1105 15, 28| bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden
1106 15, 29| 29 Gij hebt de landpalen daarvan verwoest,
1107 15, 30| Nu dan geeft weder over de steden, die gij ingenomen
1108 15, 30| die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen,
1109 15, 30| ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd
1110 15, 30| gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea
1111 15, 31| talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee gij
1112 15, 31| gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog
1113 15, 31| zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.~
1114 15, 32| 32 En Athenobius, de vriend des konings, kwam
1115 15, 32| kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon,
1116 15, 32| zich, en verkondigde hem de woorden des konings.~
1117 15, 33| goed niet bemachtigd, maar de erve onzer vaderen, die
1118 15, 34| gelegenheid gekregen, en de erve onzer vaderen weder
1119 15, 36| En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en
1120 15, 36| hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon,
1121 15, 36| al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met
1122 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs
1123 15, 38| Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk,
1124 15, 39| Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat
1125 15, 39| volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.~
1126 15, 41| krijgsknechten, opdat zij uitvallende de wegen van Judea zouden doorlopen,
1127 15, 41| zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.~ ~
1128 16, 2 | huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd
1129 16, 2 | der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het
1130 16, 3 | strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met
1131 16, 3 | ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.~
1132 16, 6 | dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij
1133 16, 6 | trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken
1134 16, 7 | deelde het volk, en stelde de ruiters in het midden van
1135 16, 7 | midden van het voetvolk, doch de ruiterij van de vijanden
1136 16, 7 | voetvolk, doch de ruiterij van de vijanden was zeer veel.~
1137 16, 8 | 8 En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs
1138 16, 8 | Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar
1139 16, 8 | van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten
1140 16, 8 | overgeblevenen vluchtten naar de sterkte.~
1141 16, 9 | 9 Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst;
1142 16, 10| En zij vluchtten tot in de torens, die in het land
1143 16, 10| Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand,
1144 16, 11| 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld
1145 16, 12| 12 Want hij was de schoonzoon van de hogepriester.~
1146 16, 12| hij was de schoonzoon van de hogepriester.~
1147 16, 14| Simon was trekkende door de steden van het land, om
1148 16, 14| honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de
1149 16, 14| de elfde maand, deze is de maand Sabat.~
1150 16, 15| 15 En de zoon van Abubus ontving
1151 16, 16| overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden hem,
1152 16, 18| deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk
1153 16, 18| dat hij hem het land en de steden zou overleveren.~
1154 16, 19| en hij zond brieven aan de oversten over duizend, dat
1155 16, 20| Jeruzalem in te nemen, en de berg van de tempel.~
1156 16, 20| te nemen, en de berg van de tempel.~
1157 16, 22| zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren
1158 16, 23| heeft, en het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd
1159 16, 24| deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van
1160 16, 24| geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap,
1161 16, 24| zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn
1-500 | 501-1000 | 1001-1161 |