Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dathema 1
david 3
davids 3
de 1161
deden 11
deed 9
deel 4
Frequency    [«  »]
-----
-----
2287 en
1161 de
567 van
518 het
470 hij

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1161

     Chapter, Verse
1001 14, 1 | honderdtweeënzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, 1002 14, 2 | 2 Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, 1003 14, 3 | Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~ 1004 14, 4 | Het land was in rust al de dagen van Simon, want hij 1005 14, 4 | heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.~ 1006 14, 5 | haven, en hij maakte dat de eilanden der zee een ingang 1007 14, 7 | vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden 1008 14, 7 | en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, 1009 14, 8 | land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~ 1010 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, 1011 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, en spraken allen 1012 14, 9 | elkander van goede dingen, en de jongelingen deden heerlijke 1013 14, 10| 10 De steden voorzag hij van proviand, 1014 14, 13| hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld 1015 14, 14| 14 Hij versterkte al de nederigen zijns volks; hij 1016 14, 14| hij onderzocht naarstig de wet, en nam weg alle verbrekers 1017 14, 15| hij, en vermenigvuldigde de vaten van het heiligdom.~ 1018 14, 17| land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;~ 1019 14, 18| hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap 1020 14, 19| brieven werden gelezen voor de ganse gemeente te Jeruzalem. 1021 14, 19| afschrift der brieven, die de Spartiaten zonden:~ 1022 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten 1023 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen 1024 14, 20| Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, 1025 14, 20| Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, 1026 14, 20| hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere 1027 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk 1028 14, 22| hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: 1029 14, 22| zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met 1030 14, 23| van hun rede stellen in de boeken, voor ons volk daartoe 1031 14, 23| schreven zij aan Simon, de hogepriester.~ 1032 14, 26| Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten 1033 14, 26| stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~ 1034 14, 27| afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand 1035 14, 27| Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste 1036 14, 28| 28 In Sarameli, in de grote vergadering der priesters 1037 14, 28| en van het volk, en van de oversten van het volk, en 1038 14, 29| 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias, van 1039 14, 29| zoon van Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn 1040 14, 29| hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben 1041 14, 29| opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden 1042 14, 32| en bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht van 1043 14, 33| 33 En versterkte de steden van Judea, en Bethsura 1044 14, 33| van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar 1045 14, 33| van Judea, waar tevoren de wapenen der vijanden geweest 1046 14, 34| versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in 1047 14, 34| zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin 1048 14, 34| landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden 1049 14, 35| 35 Het volk zag de getrouwheid van Simon, en 1050 14, 35| getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn 1051 14, 35| deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, 1052 14, 36| onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan 1053 14, 36| weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren te Jeruzalem; 1054 14, 36| grote plaag brachten onder de geheiligden.~ 1055 14, 37| verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren 1056 14, 37| van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.~ 1057 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde 1058 14, 40| Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd 1059 14, 40| gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun 1060 14, 40| bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer 1061 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd 1062 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat 1063 14, 42| die over het land en over de wapenen en over de sterkten 1064 14, 42| over de wapenen en over de sterkten opzicht zouden 1065 14, 44| niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd 1066 14, 48| dat men die zou zetten in de omgang van het heiligdom, 1067 14, 49| afschrift gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon en 1068 15, 1 | 1 En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, 1069 15, 1 | En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven 1070 15, 1 | Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon, 1071 15, 1 | eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der 1072 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende inhoud: De koning 1073 15, 2 | van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, 1074 15, 2 | koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, 1075 15, 5 | Nu dan ik bevestig u al de vrijdommen, die u vrijgelaten 1076 15, 5 | die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest 1077 15, 5 | mij geweest zijn, en al de andere geschenken, die zij 1078 15, 7 | zullen vrij zijn, en al de wapenen, die gij bereid 1079 15, 7 | die gij bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd 1080 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig zijt, en 1081 15, 8 | schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij 1082 15, 9 | zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken met 1083 15, 10| land zijner vaderen, en al de krijgsmachten kwamen te 1084 15, 11| 11 En de koning Antiochus vervolgde 1085 15, 11| vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~ 1086 15, 12| 12 Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht 1087 15, 12| samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.~ 1088 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad, en voegde schepen 1089 15, 14| stad, en voegde schepen uit de zee te zamen, en benauwde 1090 15, 14| zee te zamen, en benauwde de stad te land en ter zee, 1091 15, 15| Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen, 1092 15, 15| brieven aan de koningen en aan de landen, in welke deze dingen 1093 15, 17| 17 De gezanten der Joden zijn 1094 15, 17| bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap 1095 15, 17| wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het 1096 15, 19| goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, 1097 15, 19| aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet 1098 15, 21| levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij 1099 15, 22| heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan 1100 15, 23| landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, 1101 15, 23| en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, en 1102 15, 24| daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~ 1103 15, 25| 25 En de koning Antiochus belegerde 1104 15, 25| Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn 1105 15, 28| bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden 1106 15, 29| 29 Gij hebt de landpalen daarvan verwoest, 1107 15, 30| Nu dan geeft weder over de steden, die gij ingenomen 1108 15, 30| die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, 1109 15, 30| ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd 1110 15, 30| gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea 1111 15, 31| talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee gij 1112 15, 31| gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog 1113 15, 31| zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.~ 1114 15, 32| 32 En Athenobius, de vriend des konings, kwam 1115 15, 32| kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, 1116 15, 32| zich, en verkondigde hem de woorden des konings.~ 1117 15, 33| goed niet bemachtigd, maar de erve onzer vaderen, die 1118 15, 34| gelegenheid gekregen, en de erve onzer vaderen weder 1119 15, 36| En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en 1120 15, 36| hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, 1121 15, 36| al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met 1122 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs 1123 15, 38| Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, 1124 15, 39| Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat 1125 15, 39| volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.~ 1126 15, 41| krijgsknechten, opdat zij uitvallende de wegen van Judea zouden doorlopen, 1127 15, 41| zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.~ ~ 1128 16, 2 | huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd 1129 16, 2 | der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het 1130 16, 3 | strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met 1131 16, 3 | ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.~ 1132 16, 6 | dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij 1133 16, 6 | trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken 1134 16, 7 | deelde het volk, en stelde de ruiters in het midden van 1135 16, 7 | midden van het voetvolk, doch de ruiterij van de vijanden 1136 16, 7 | voetvolk, doch de ruiterij van de vijanden was zeer veel.~ 1137 16, 8 | 8 En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs 1138 16, 8 | Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar 1139 16, 8 | van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten 1140 16, 8 | overgeblevenen vluchtten naar de sterkte.~ 1141 16, 9 | 9 Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; 1142 16, 10| En zij vluchtten tot in de torens, die in het land 1143 16, 10| Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand, 1144 16, 11| 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld 1145 16, 12| 12 Want hij was de schoonzoon van de hogepriester.~ 1146 16, 12| hij was de schoonzoon van de hogepriester.~ 1147 16, 14| Simon was trekkende door de steden van het land, om 1148 16, 14| honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de 1149 16, 14| de elfde maand, deze is de maand Sabat.~ 1150 16, 15| 15 En de zoon van Abubus ontving 1151 16, 16| overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, 1152 16, 18| deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk 1153 16, 18| dat hij hem het land en de steden zou overleveren.~ 1154 16, 19| en hij zond brieven aan de oversten over duizend, dat 1155 16, 20| Jeruzalem in te nemen, en de berg van de tempel.~ 1156 16, 20| te nemen, en de berg van de tempel.~ 1157 16, 22| zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren 1158 16, 23| heeft, en het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd 1159 16, 24| deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van 1160 16, 24| geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, 1161 16, 24| zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn


1-500 | 501-1000 | 1001-1161

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License