1-500 | 501-567
Chapter, Verse
1 1, 1 | nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër,
2 1, 3 | en grote buit verkreeg van menigte der volken, en dat
3 1, 7 | dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed
4 1, 11| Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die
5 1, 11| honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.~
6 1, 13| 13 Want van die dag af dat wij van hen
7 1, 13| Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben
8 1, 14| 14 En sommigen van het volk waren volvaardig
9 1, 16| voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden
10 1, 17| 17 En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd,
11 1, 19| tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs vreesde
12 1, 20| sterke steden in het land van Egypte, en hij kreeg de
13 1, 20| Egypte, en hij kreeg de roof van Egypte.~
14 1, 29| bewoonden, en het ganse huis van Jakob deed smaad klederen
15 1, 30| schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem
16 1, 37| spijze; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht
17 1, 40| 40 En de inwoners van Jeruzalem vloden om hunnentwil;~
18 1, 41| stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een
19 1, 46| 46 En velen van Israël hadden een welgevallen
20 1, 47| zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem,
21 1, 47| Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden
22 1, 55| 55 En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden
23 1, 55| dat zij offeren zouden van stad tot stad.~
24 1, 56| 56 En velen van het volk vergaderden tot
25 1, 58| 58 En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het
26 1, 58| en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.~
27 1, 59| 59 En in de deuren van de huizen, en op de straten
28 1, 62| degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de
29 1, 63| de vijfentwintigste dag van de maand op het altaar,
30 2, 1 | stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon,
31 2, 1 | zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van
32 2, 1 | van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van
33 2, 1 | van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats
34 2, 7 | om te zien de overlast van mijn volk, en de overlast
35 2, 10| koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen
36 2, 15| 15 En daar kwamen enigen van des konings wege, in de
37 2, 16| 16 En velen van Israël kwamen tot hen, en
38 2, 17| 17 En die van des konings wege daar waren,
39 2, 17| deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;~
40 2, 18| gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem
41 2, 18| gij zult, alsook uw huis van des konings vrienden zijn,
42 2, 19| gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst
43 2, 19| een ieder van hen afviel van de godsdienst zijner vaderen,
44 2, 23| Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het
45 2, 26| deed tegen Zambri, de zoon van Salom.~
46 2, 31| te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt
47 2, 40| zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.~
48 2, 42| der Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël
49 2, 42| sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig
50 2, 46| zij vonden in de landpalen van Israël;~
51 2, 47| En vervolgden de kinderen van de hoogmoed, en dit werk
52 2, 53| gehouden, en werd een heer van Egypte.~
53 2, 54| geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.~
54 2, 57| barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd.~
55 2, 61| 61 En overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en
56 2, 65| ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw
57 2, 66| Judas Makkabeüs is sterk van kracht, van zijn jonkheid
58 2, 66| Makkabeüs is sterk van kracht, van zijn jonkheid aan, deze
59 3, 2 | hadden, en voerden de krijg van Israël met vreugde.~
60 3, 8 | 8 Hij doortrok de steden van Juda, en verdelgde uit haar
61 3, 8 | en keerde de toorn Gods van Israël af.~
62 3, 10| de volken vergaderde, en van Samarië een grote macht,
63 3, 12| en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij streed
64 3, 13| overste der krijgsmachten van Syrië, hoorde dat Judas
65 3, 13| een hoop en vergadering van getrouwe lieden bij zich
66 3, 15| trok op een sterk leger van goddelozen, om hem te helpen,
67 3, 16| naderde tot aan de opgang van Bethoron, en Judas ging
68 3, 18| besloten worden in de handen van weinigen, en daar is geen
69 3, 20| ons, om door een menigte van smaadheid en ongerechtigheid
70 3, 24| vervolgden hen in de nedergang van Bethoron tot het veld toe,
71 3, 24| Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen omtrent
72 3, 26| en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas.~
73 3, 26| verhaalden van de veldslagen van Judas.~
74 3, 27| vergaderde al de krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer
75 3, 29| waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest
76 3, 31| Perzië, en de schattingen van die landen te ontvangen,
77 3, 32| Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht, over
78 3, 32| over de zaken des konings, van de rivier Eufraat af tot
79 3, 32| Eufraat af tot de landpalen van Egypte toe;~
80 3, 34| hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de
81 3, 34| olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan
82 3, 34| wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en
83 3, 34| hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem;~
84 3, 35| tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, en
85 3, 35| vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien,
86 3, 35| roeien, en om hun gedachtenis van die plaats weg te nemen.~
87 3, 37| overig waren, en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke
88 3, 37| en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in
89 3, 38| verkoor Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en
90 3, 39| om te vallen in het land van Juda, en het te verderven,
91 3, 39| verderven, naar het woord van de koning.~
92 3, 41| 41 En de kooplieden van die landstreek van hun naam
93 3, 41| kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen
94 3, 41| verkrijgen, en de macht van Syrië en van het land der
95 3, 41| en de macht van Syrië en van het land der vreemdelingen
96 3, 45| woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren
97 3, 57| legerden zich tegen het zuiden van Emmaüs.~
98 3, 59| zouden aanzien de ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~
99 3, 59| ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~
100 3, 60| 60 Doch gelijk de wil van God in de hemel zal zijn,
101 4, 2 | zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.~
102 4, 4 | krijgsvolk nog verstrooid was van het leger.~
103 4, 5 | Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond
104 4, 15| en tot de vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote
105 4, 15| tot Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend
106 4, 16| krijgsvolk keerden weder van hen te vervolgen;~
107 4, 19| zich een deel uitziende van de berg;~
108 4, 21| ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld
109 4, 23| keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen
110 4, 23| zilver, en vele klederen van hyacintenkleur, en zeepurper
111 4, 30| Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de aanval
112 4, 30| Israël, gij, die de aanval van de machtige door de hand
113 4, 30| de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken
114 4, 30| gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul,
115 4, 30| handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
116 4, 30| Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
117 4, 31| Besluit dit leger in de hand van uw volk Israël, en laat
118 4, 32| versaagdheid, en doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en
119 4, 34| elkander aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot
120 4, 34| daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen,
121 4, 35| Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid
122 4, 35| slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond
123 4, 38| kreupelbos of als op een van de bergen, en de kamers
124 4, 46| brachten de stenen op de berg van het huis, in een geschikte
125 4, 47| altaar, naar de gedaante van het eerste.~
126 4, 48| heiligdom, en het binnenste van het huis, en zij heiligden
127 4, 52| op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is
128 4, 56| zij hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang,
129 4, 57| versierden het voorste deel van de tempel, met gouden kronen
130 4, 59| en de ganse vergadering van Israël, bepaalden dat de
131 4, 59| dat de dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden,
132 4, 59| na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag
133 5, 2 | besluit, om het geslacht van Jakob te verdelgen; allen
134 5, 2 | allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder
135 5, 3 | Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde,
136 5, 3 | Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij Israël
137 5, 4 | indachtig wordende de boosheid van de kinderen van Bajan, die
138 5, 4 | boosheid van de kinderen van Bajan, die het volk geweest
139 5, 6 | toog hij naar de kinderen van Ammon, en hij vond daar
140 5, 10| vloden zij tot de sterkte van Dathema, en zonden brieven
141 5, 12| Komt dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al
142 5, 12| want daar is al een menigte van ons gevallen;~
143 5, 13| broeders, die in de plaatsen van Toubin waren, zijn gedood,
144 5, 16| verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.~
145 5, 18| hij liet Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria tot
146 5, 21| vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs toe.~
147 5, 22| 22 En daar vielen van de heidenen tot drieduizend
148 5, 23| 23 Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die van
149 5, 23| van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en
150 5, 24| Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn;~
151 5, 26| 26 En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra,
152 5, 27| in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren;
153 5, 29| 29 En hij vertrok van daar des nachts, en trok
154 5, 31| hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~
155 5, 34| 34 En het leger van Timotheüs ontdekte dat het
156 5, 34| een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot
157 5, 36| Bosor, en de overige steden van Galaäditis.~
158 5, 40| Timotheüs zeide tot de oversten van zijn krijgsvolk, toen Judas
159 5, 44| bestaan voor het aangezicht van Judas.~
160 5, 45| die in Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten
161 5, 45| om te komen in het land van Juda.~
162 5, 47| 47 Zo sloten die van de stad hen buiten,~
163 5, 51| waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden
164 5, 53| totdat hij kwam in het land van Juda.~
165 5, 54| offerden brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was,
166 5, 56| Hoorde Jozefus, de zoon van Zacharias, en Azaria, oversten
167 5, 56| Zacharias, en Azaria, oversten van het krijgsvolk, de mannelijke
168 5, 60| vervolgd tot de landpalen van Judea; en daar vielen op
169 5, 60| en daar vielen op die dag van het volk Israëls tot tweeduizend
170 5, 62| 62 Doch zij waren niet van het zaad van die mannen,
171 5, 62| waren niet van het zaad van die mannen, door welker
172 5, 65| en bestreden de kinderen van Ezau, in het land dat tegen
173 6, 1 | een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver en van
174 6, 1 | was, vermaard van rijkdom, van zilver en van goud;~
175 6, 1 | van rijkdom, van zilver en van goud;~
176 6, 2 | die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van
177 6, 2 | van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste
178 6, 3 | omdat deze zaak de lieden van die stad bekend werd.~
179 6, 5 | legers, die naar het land van Juda vertrokken waren, op
180 6, 6 | die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen
181 6, 10| tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart
182 6, 12| gezonden heb om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit
183 6, 13| hebben; en ziet, ik verga van grote droefheid in een vreemd
184 6, 14| En hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde
185 6, 20| stormgereedschap en andere instrumenten van geweld.~
186 6, 21| 21 En enige van die besloten waren kwamen
187 6, 23| bevelen, waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd
188 6, 23| waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.~
189 6, 24| 24 Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden,
190 6, 26| geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het
191 6, 28| zijn vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk, en die
192 6, 29| 29 En van andere koningen en van de
193 6, 29| En van andere koningen en van de eilanden der zee kwam
194 6, 30| 30 Zodat het getal van zijn krijgsvolk was honderdduizend
195 6, 31| en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen
196 6, 31| instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden
197 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht en legerde zich
198 6, 33| haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en het leger
199 6, 34| toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën,
200 6, 34| sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de
201 6, 35| voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliën, en die koperen
202 6, 36| gingen zij mee, en weken van hetzelve niet.~
203 6, 38| oversten aan de twee delen van het leger, ter weerszijden,
204 6, 39| en lichtten gelijk lampen van vuur.~
205 6, 40| 40 En een deel van des konings leger werd uitgebreid
206 6, 41| ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis
207 6, 42| te slaan, en daar vielen van des konings leger zeshonderd
208 6, 43| En Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke
209 6, 45| verdeelden zich ter weerszijden van hem.~
210 6, 47| des konings, en de aanval van het krijgsvolk, weken zij
211 6, 47| het krijgsvolk, weken zij van hen af.~
212 6, 48| 48 En die van des konings leger waren,
213 6, 51| stormgereedschap en instrumenten van geweld om vuur en stenen
214 6, 52| maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten,
215 6, 53| was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevloden
216 6, 56| 56 Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de
217 6, 57| elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken,
218 6, 57| koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot de
219 6, 57| en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.~
220 7, 1 | Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige
221 7, 10| krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden
222 7, 12| 12 En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde
223 7, 13| eersten onder de kinderen van Israël, en zij verzochten
224 7, 14| priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen met het
225 7, 19| 19 En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich
226 7, 19| zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen
227 7, 19| overgelopen waren, en enigen van het volk, en hij doodde
228 7, 22| zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote
229 7, 24| Trok uit in al de landpalen van Judea rondom, en deed wraak
230 7, 25| koning, en beschuldigde hen van boze stukken.~
231 7, 26| koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten,
232 7, 32| daar vielen aan de zijde van Nicanor omtrent vijfhonderd
233 7, 33| Sion, en daar gingen enigen van de priesters uit het heiligdom,
234 7, 33| het heiligdom, en enigen van de ouderlingen des volks,
235 7, 39| ontmoette hem het krijgsvolk van Syrië.~
236 7, 43| maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld,
237 7, 45| vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen
238 7, 46| 46 En uit alle vlekken van Judea kwamen de inwoners,
239 7, 46| het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.~
240 7, 47| en de roof, en het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand,
241 7, 48| vierden die dag als een dag van grote verheuging.~
242 7, 49| gehouden worden, de dertiende van de maand Adar.~
243 7, 50| 50 En het land van Juda was enige dagen in
244 8, 3 | gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen
245 8, 3 | bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud, dat
246 8, 3 | metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en dat
247 8, 3 | hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren.~
248 8, 4 | 4 En de koningen, die van het uiterste der aarde tegen
249 8, 5 | Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen
250 8, 6 | Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten
251 8, 8 | 8 En te geven het land van Indië, en Medië, en Lydië,
252 8, 8 | Medië, en Lydië, en andere van hun schoonste landen, en
253 8, 8 | landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende,
254 8, 9 | 9 En als die van Griekenland in hun raad
255 8, 10| bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen
256 8, 14| dat in deze allen niemand van hen een koninklijke hoed
257 8, 17| verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos,
258 8, 17| zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon
259 8, 17| Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen
260 8, 17| vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken.~
261 8, 18| 18 En om van hen het juk weg te nemen,
262 8, 20| met ulieden gemeenschap van wapenen zouden maken, en
263 8, 22| En dit was het afschrift van de brief, welke zij schreven
264 8, 22| vredes en der gemeenschap van wapenen:~
265 8, 23| zwaard en de vijand moet ver van hen zijn.~
266 8, 27| hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd
267 9, 1 | en met de rechtervleugel van zijn krijgsvolk.~
268 9, 2 | en vernielen vele zielen van mensen.~
269 9, 3 | 3 En in de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste
270 9, 10| Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak
271 9, 11| Ondertussen brak het krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger,
272 9, 13| trompetten, zodat de aarde van het geluid des legers beefde,
273 9, 13| zij vochten tegen elkander van des morgens vroeg tot de
274 9, 14| Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand
275 9, 14| en al degenen, die kloek van harte waren, voegden zich
276 9, 15| vervolgde hen tot de berg van Azote toe.~
277 9, 16| en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.~
278 9, 22| nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen
279 9, 22| is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke
280 9, 23| het geschiedde na de dood van Judas, dat alle verbrekers
281 9, 23| der wet in de landpalen van Israël tevoorschijn kwamen,
282 9, 26| zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op,
283 9, 27| als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet
284 9, 28| 28 Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden,
285 9, 29| 29 Van dat uw broeder Judas gestorven
286 9, 29| degenen, die vijanden zijn van ons volk.~
287 9, 31| gelegenheid des tijds, het ambt van overste aan, en hij stond
288 9, 31| hij stond op in de plaats van zijn broeder.~
289 9, 33| legerden zich bij het water van het meer Asfar.~
290 9, 36| 36 En de kinderen van Ambri deden een uitval uit
291 9, 37| geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft
292 9, 37| bruid, die een dochter was van een van de grote heren van
293 9, 37| een dochter was van een van de grote heren van Kanaän,
294 9, 37| van een van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.~
295 9, 37| heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.~
296 9, 38| zich verborgen in een hol van de berg.~
297 9, 42| alzo wraak over het bloed van hun broeder, en keerden
298 9, 42| keerden weder aan de kant van de Jordaan.~
299 9, 43| horende. kwam op de dag van de sabbat tot de oever van
300 9, 43| van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel krijgsvolk.~
301 9, 45| achter ons, en het water van de Jordaan is aan de ene
302 9, 49| 49 En aan de zijde van Bacchides vielen die dag
303 9, 52| 52 En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara,
304 9, 52| krijgslieden en voorraad van spijs.~
305 9, 53| 53 En hij nam de zonen van de overste des lands tot
306 9, 54| gebood Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof des
307 9, 61| 61 En zij grepen van de mannen des lands, die
308 9, 61| lands, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen
309 9, 64| en maakte instrumenten van geweld.~
310 9, 66| zijn broeders, en de zonen van Fasiron in hun tenten; en
311 9, 67| verbrandde de instrumenten van geweld.~
312 9, 71| kwaad te doen al de dagen van zijn leven.~
313 9, 72| hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen;
314 10, 1 | jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes,
315 10, 7 | deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen,
316 10, 7 | oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht
317 10, 14| zijn enigen overgebleven van degenen, die de wet en de
318 10, 17| brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~
319 10, 19| 19 Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig
320 10, 20| deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend
321 10, 20| uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden,
322 10, 21| aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar,
323 10, 24| aan hen schrijven woorden van vermaning, en van hoogheid,
324 10, 24| woorden van vermaning, en van hoogheid, en van geschenken,
325 10, 24| vermaning, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot
326 10, 29| ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de impost
327 10, 29| Joden, van de tollen, en van de impost van het zout,
328 10, 29| tollen, en van de impost van het zout, en van de kroongelden,
329 10, 29| impost van het zout, en van de kroongelden, en van het
330 10, 29| en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.~
331 10, 29| kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.~
332 10, 30| 30 En van de helft der boomvruchten,
333 10, 30| te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan,
334 10, 30| opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van die
335 10, 30| ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij
336 10, 30| die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van
337 10, 30| van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze
338 10, 30| Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten
339 10, 32| 32 Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over,
340 10, 33| kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.~
341 10, 34| in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding
342 10, 35| tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen,
343 10, 38| aangaande de drie streken, die van het land van Samarië aan
344 10, 38| streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd
345 10, 38| onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.~
346 10, 40| vijftienduizend sikkelen zilver van de rekeningen des konings
347 10, 41| nog niet hebben gegeven van de behoeften, gelijk in
348 10, 41| eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken
349 10, 42| gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen
350 10, 44| het opbouwen en vernieuwen van de werken des heiligdoms
351 10, 44| gegeven worden uit de rekening van de koning.~
352 10, 45| 45 Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen,
353 10, 45| en ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.~
354 10, 47| eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij
355 10, 49| te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht,
356 10, 51| aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die volgens
357 10, 52| wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten
358 10, 53| gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;~
359 10, 55| gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.~
360 10, 63| uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen,
361 10, 63| uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige,
362 10, 65| stelde hem tot een overste van het krijgsvolk, en tot een
363 10, 67| kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland
364 10, 67| de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het
365 10, 74| nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd
366 10, 75| stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe
367 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende, deden
368 10, 77| horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel
369 10, 78| hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.~
370 10, 79| En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, en
371 10, 81| schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de
372 10, 83| Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden
373 10, 84| verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin
374 10, 86| zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet
375 11, 1 | 1 De koning van Egypte vergaderde veel krijgsvolk,
376 11, 1 | hij zocht het koninkrijk van Alexander te bemachtigen
377 11, 2 | vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de
378 11, 2 | tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was,
379 11, 4 | toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand,
380 11, 9 | zijn over het koninkrijk van uw vader.~
381 11, 12| deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en
382 11, 13| koninklijke hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~
383 11, 13| hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~
384 11, 20| tegen deze vele instrumenten van geweld.~
385 11, 23| voortgaan, en hij verkoos enige van de ouderlingen Israëls,
386 11, 23| ouderlingen Israëls, en van de priesters, en begaf zichzelf
387 11, 26| hem in tegenwoordigheid van al zijn vrienden.~
388 11, 27| maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden.~
389 11, 28| drie streken, en het land van Samarië vrij zou maken,
390 11, 29| over al deze dingen, zijnde van deze inhoud:~
391 11, 31| 31 Het afschrift van de brief, die wij geschreven
392 11, 31| aan Lasthenes, onze neef, van ulieden, schrijven wij ook
393 11, 33| hun toegelegd de landpalen van Judea; de drie streken,
394 11, 33| Lydda en Ramatha, welke van het land van Samarië gevoegd
395 11, 33| Ramatha, welke van het land van Samarië gevoegd zijn bij
396 11, 33| offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die
397 11, 33| koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas
398 11, 33| jaarlijks van hen ontving van het gewas der aarde, en
399 11, 33| het gewas der aarde, en van de boomvruchten.~
400 11, 34| die ons toebehoren, zo van tienden als van tollen,
401 11, 34| toebehoren, zo van tienden als van tollen, die ons toebehoren,
402 11, 34| dingen vergunnen wij hun, van nu af.~
403 11, 35| 35 En geen ding van deze alle zal van nu aan
404 11, 35| geen ding van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet
405 11, 36| dan nu dat een afschrift van deze alle gemaakt worde,
406 11, 37| vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken
407 11, 37| het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had,
408 11, 38| kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;~
409 11, 40| degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten
410 11, 44| 44 En die van de stad vergaderden in het
411 11, 44| vergaderden in het midden van de stad, omtrent honderdentwintigduizend
412 11, 45| koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen
413 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat de Joden
414 11, 51| ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het
415 11, 52| 52 En hij hield niet van hetgeen hij beloofd had,
416 11, 52| beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold
417 11, 55| en bemachtigde de stad van Antiochië.~
418 11, 56| streken, en dat gij een van de vrienden des konings
419 11, 58| broeder Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af,
420 11, 58| overste van de gewesten van Tyrus af, tot de landpalen
421 11, 58| Tyrus af, tot de landpalen van Egypte toe.~
422 11, 59| en al de krijgsmachten van Syrië vergaderden bij hem
423 11, 59| kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer
424 11, 60| vertrok vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten
425 11, 60| vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde,
426 11, 61| 61 En die van Gaza baden Jonathan, en
427 11, 62| horende dat de oversten van Demetrius te Kades in Galilea
428 11, 67| bergen, en zij ontmoetten hen van voren.~
429 11, 69| vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven,
430 11, 69| dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon
431 11, 69| Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren
432 11, 69| Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.~
433 11, 72| Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren, keerden
434 11, 73| 73 En daar vielen van de vreemden op die dag,
435 12, 2 | andere plaatsen brieven van dezelfde inhoud.~
436 12, 3 | vriendschap en gemeenschap van wapenen, gelijk tevoren.~
437 12, 4 | brieven aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen
438 12, 5 | En dit is het afschrift van de brieven, die Jonathan
439 12, 8 | welke verklaring werd gedaan van gemeenschap van wapenen,
440 12, 8 | werd gedaan van gemeenschap van wapenen, en vriendschap;~
441 12, 9 | Hoewel wij dan dit nu niet van node hebben, als die tot
442 12, 10| te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd
443 12, 15| komt, en wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden
444 12, 16| vriendschap en gemeenschap van wapenen met hen weder te
445 12, 17| overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze
446 12, 17| brieven van de vernieuwing van onze broederschap.~
447 12, 21| zij zijn uit het geslacht van Abraham.~
448 12, 22| doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.~
449 12, 35| en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield
450 12, 36| 36 En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken,
451 12, 36| burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat
452 12, 46| zij trokken naar het land van Juda.~
453 12, 47| blijven drieduizend man, van welke hij tweeduizend liet
454 12, 48| was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten toe,
455 12, 49| en ruiterij naar het land van Galilea, en naar het grote
456 12, 52| kwamen allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan,
457 13, 1 | om te komen naar het land van Juda, en het te verdrukken;~
458 13, 5 | 5 En nu het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou
459 13, 8 | onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.~
460 13, 10| mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen,
461 13, 11| hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een
462 13, 12| 12 En Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote
463 13, 12| grote macht in het land van Juda te komen; en Jonathan
464 13, 14| was opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan, en
465 13, 16| talenten zilver, en twee van zijn zonen tot gijzelaars,
466 13, 16| losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij
467 13, 25| zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en
468 13, 27| Simon bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn
469 13, 27| graf van zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw,
470 13, 27| op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer
471 13, 27| stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk.~
472 13, 29| de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige
473 13, 32| zette op de koninklijke hoed van Azië, en bracht een grote
474 13, 33| Simon bouwde de sterkten van Judea op, en bemuurde ze
475 13, 34| omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren
476 13, 39| misdaden, tot op de dag van heden, en de kroongelden
477 13, 41| is het juk der heidenen van Israël weggenomen.~
478 13, 42| 42 En het volk van Israël begon te schrijven
479 13, 45| 45 En die van de stad kwamen op de muren
480 13, 49| grote hongersnood, en velen van hen stierven van honger.~
481 13, 49| en velen van hen stierven van honger.~
482 13, 50| en hij reinigde de burcht van de besmettingen.~
483 13, 51| de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het
484 13, 51| dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste
485 14, 2 | 2 Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde
486 14, 2 | was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend
487 14, 3 | heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg
488 14, 4 | was in rust al de dagen van Simon, want hij zocht het
489 14, 4 | want hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht
490 14, 9 | spraken allen met elkander van goede dingen, en de jongelingen
491 14, 10| 10 De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag
492 14, 15| vermenigvuldigde de vaten van het heiligdom.~
493 14, 18| vriendschap en gemeenschap van wapenen met hem weder te
494 14, 21| afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid en eer,
495 14, 22| gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius,
496 14, 23| ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen in de boeken,
497 14, 24| een groot gouden schild van duizend ponden gewichts,
498 14, 24| om met hen het verbond van gemeenschap der wapenen
499 14, 26| bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten onder gebracht,
500 14, 26| Israël ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben
1-500 | 501-567 |