Chapter, Verse
1 2, 18| uw huis van des konings vrienden zijn, en gij en uw zonen
2 2, 39| 39 En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer
3 2, 45| 45 En Mattathias en zijn vrienden trokken rondom en verbraken
4 3, 38| machtige mannen onder de vrienden des konings;~
5 6, 10| 10 Waarom hij al zijn vrienden riep, en zeide tot hen:
6 6, 14| riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde hem over zijn
7 6, 28| hoorde, en vergaderde al zijn vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk,
8 7, 6 | zijn broeders hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons
9 7, 15| zullen ulieden, en onze vrienden geen kwaad toebrengen.~
10 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen tevreden
11 8, 20| onder uw medestrijders en vrienden.~
12 8, 31| uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?~
13 9, 26| 26 En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen
14 9, 28| 28 Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden,
15 9, 35| aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun
16 9, 39| en de bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen uit hun
17 10, 60| koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele
18 10, 65| hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een
19 11, 26| tegenwoordigheid van al zijn vrienden.~
20 11, 27| opperste van zijn voornaamste vrienden.~
21 11, 32| volk der Joden, die onze vrienden zijn, en die aan ons houden
22 11, 56| streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult zijn.~
23 12, 14| onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen
24 12, 43| en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken,
25 12, 43| geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen
26 14, 39| maakte hem een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem
27 14, 40| Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij
28 15, 17| ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen
29 15, 28| Athenobius, een van zijn vrienden, om met hem te handelen,
|