Chapter, Verse
1 2, 7 | te zien de overlast van mijn volk, en de overlast der
2 2, 20| 20 Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broeders wandelen
3 2, 20| zullen ik en mijn zonen en mijn broeders wandelen in het
4 2, 50| 50 Nu dan mijn kinderen, ijvert voor de
5 2, 64| 64 En gij, mijn kinderen, wordt gesterkt,
6 5, 17| Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen
7 6, 10| hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt
8 6, 10| houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de
9 6, 11| 11 En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking
10 6, 11| en bemind ware geweest in mijn heerschappij!~
11 7, 35| niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het geschieden,
12 10, 24| geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.~
13 10, 33| land Juda gevangen zijn in mijn ganse koninkrijk, laat ik
14 10, 34| zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid
15 10, 43| worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.~
16 10, 52| wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben
17 10, 56| mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, gelijk
18 11, 9 | verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander
19 11, 10| het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven, want
20 11, 42| helpen strijden, omdat al mijn krijgsvolk mij is afgevallen.~
21 13, 3 | Gij weet zelf, wat ik en mijn broeders, en het huis mijns
22 13, 4 | 4 Daarom zijn al mijn broeders omgekomen, om Israëls
23 13, 5 | zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen in enige
24 13, 5 | ik ben niet beter dan al mijn broeders.~
25 13, 6 | Maar ik zal wraak doen voor mijn volk, en voor het heiligdom,
26 15, 28| te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.~
27 15, 29| plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk.~
28 16, 2 | en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns
29 16, 3 | barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats,
|