Chapter, Verse
1 3, 34| ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem;~
2 4, 35| weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.~
3 5, 8 | hebbende, keerde hij weder in Judea.~
4 5, 18| het overige krijgsvolk in Judea tot derzelver bewaring.~
5 5, 23| hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde.~
6 5, 60| vervolgd tot de landpalen van Judea; en daar vielen op die dag
7 6, 48| koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.~
8 6, 53| behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren, hadden het
9 7, 24| uit in al de landpalen van Judea rondom, en deed wraak over
10 7, 46| En uit alle vlekken van Judea kwamen de inwoners, en bezetten
11 9, 50| bouwde sterke steden in Judea, en de sterkte in Jericho,
12 9, 60| al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die
13 9, 63| menigte, en ontbood ook die in Judea waren.~
14 10, 38| het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan
15 10, 38| gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat zij
16 10, 45| opbouwen van de muren, die in Judea zijn.~
17 11, 20| vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem
18 11, 28| verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken, en
19 11, 33| toegelegd de landpalen van Judea; de drie streken, Aferema,
20 11, 33| Samarië gevoegd zijn bij Judea; en al hetgeen wat daaraan
21 12, 35| om sterkten te bouwen in Judea;~
22 13, 33| Simon bouwde de sterkten van Judea op, en bemuurde ze met hoge
23 14, 33| versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen
24 14, 33| Bethsura op de grenzen van Judea, waar tevoren de wapenen
25 15, 30| op de grenzen, die buiten Judea zijn.~
26 15, 39| hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat
27 15, 40| het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk
28 15, 41| uitvallende de wegen van Judea zouden doorlopen, gelijk
|