Chapter, Verse
1 2, 31| gegaan, en dat velen hun toe liepen.~
2 2, 36| en stopten de holen niet toe, zeggende:~
3 3, 24| van Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen
4 3, 26| naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden
5 3, 32| de landpalen van Egypte toe;~
6 4, 15| vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden
7 4, 15| vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia,
8 5, 21| de poorten van Ptolomaïs toe.~
9 5, 31| stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een
10 5, 45| de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun
11 5, 46| gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad
12 5, 48| 48 En stopten de poorten toe met stenen.~
13 6, 45| zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden,
14 8, 10| gebracht, tot op deze dag toe;~
15 9, 13| morgens vroeg tot de avond toe.~
16 9, 15| hen tot de berg van Azote toe.~
17 10, 50| tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius op die
18 11, 8 | de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen
19 11, 58| de landpalen van Egypte toe.~
20 11, 61| doorreisde dat land tot Damaskus toe.~
21 11, 72| vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij
22 11, 72| Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.~
23 12, 33| het land af tot Askalon toe, en tot de naaste sterkten,
24 12, 48| van Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden
25 14, 16| hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was,
26 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een eigen munt
27 16, 2 | aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt,
|