Chapter, Verse
1 1, 19| 19 En hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs,
2 3, 55| 55 En na deze stelde Judas oversten des volks,
3 5, 42| beek des waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks,
4 6, 14| een van zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse koninkrijk;~
5 6, 17| de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om
6 6, 50| koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze
7 6, 51| heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap en
8 7, 20| 20 En hij stelde Alcimus over het land, en
9 9, 25| verkoor goddeloze mannen en stelde hen tot heren des lands.~
10 9, 52| Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden en voorraad
11 10, 65| voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van
12 10, 69| 69 En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië
13 11, 3 | Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk
14 11, 37| niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk
15 11, 58| 58 En hij stelde zijn broeder Simon tot een
16 12, 27| de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het
17 12, 34| met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in,
18 13, 28| 28 En hij stelde daarop zeven pyramiden,
19 13, 48| haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen,
20 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks
21 14, 3 | hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~
22 14, 7 | niemand, die zich tegen hem stelde.~
23 14, 34| tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen,
24 14, 34| tot hun wederoprichting stelde hij daarin.~
25 14, 37| 37 En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te
26 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs tot een overste
27 16, 7 | hij deelde het volk, en stelde de ruiters in het midden
|