Chapter, Verse
1 1, 12| kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en
2 2, 17| spraken tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en
3 2, 27| stad met een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor
4 2, 36| stopten de holen niet toe, zeggende:~
5 2, 41| besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen
6 3, 50| met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen,
7 5, 10| Judas en zijn broeders, zeggende:~
8 5, 15| 15 Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd
9 5, 19| 19 En hij beval hun, zeggende: Weest over dit volk, en
10 5, 38| en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom
11 5, 42| volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich nederzetten,
12 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede:~
13 7, 6 | het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broeders
14 7, 15| vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, en
15 7, 28| 28 Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen
16 7, 35| hij zwoer met gramschap, zeggende: Indien Judas en zijn leger
17 8, 31| wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk
18 9, 9 | hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen
19 10, 20| kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt,
20 10, 69| Jonathan, de hogepriester, zeggende:~
21 11, 9 | aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander
22 11, 41| Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat
23 11, 49| 49 Zeggende: Geef ons de rechter hand,
24 11, 56| Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap,
25 13, 8 | antwoordden met een grote stem zeggende: Gij zijt onze overste,
26 13, 15| 15 Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan
|