Chapter, Verse
1 1, 35| en deze was hun tot een burcht.~
2 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos het heiligdom
3 3, 45| der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar
4 4, 2 | slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.~
5 4, 41| zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom
6 6, 18| Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom
7 6, 26| leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en
8 6, 32| En Judas brak op van de burcht en legerde zich in Bethzacharia
9 6, 57| aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen
10 9, 53| en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.~
11 10, 6 | de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over
12 10, 7 | en van degenen, die op de burcht waren.~
13 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven de gijzelaars
14 10, 32| geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef
15 11, 20| Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen,
16 11, 21| boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~
17 11, 40| dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten
18 12, 36| te maken midden tussen de burcht en de stad, om die van de
19 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden gezanten aan
20 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden
21 13, 50| uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen.~
22 13, 53| des tempels, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen
23 14, 7 | Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden
24 14, 36| Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit
25 14, 37| 37 En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen
26 15, 28| Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van
|