Chapter, Verse
1 1, 1 | En het geschiedde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de
2 1, 8 | 8 En Alexander regeerde als koning twaalf
3 6, 2 | pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de
4 10, 1 | honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd
5 10, 4 | eer hij vrede make met Alexander tegen ons;~
6 10, 15| 15 En Alexander, de koning, horende de beloften,
7 10, 18| 18 De koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan
8 10, 23| hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap
9 10, 47| zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste
10 10, 48| 48 En de koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht,
11 10, 49| Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg
12 10, 51| 51 En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning
13 10, 58| 58 En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf
14 10, 59| 59 En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat
15 10, 68| 68 En Alexander, dat horende, werd zeer
16 10, 88| geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had,
17 11, 1 | zocht het koninkrijk van Alexander te bemachtigen met bedrog,
18 11, 2 | het bevel van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet
19 11, 8 | gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.~
20 11, 9 | u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning
21 11, 12| Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap
22 11, 14| 14 En de koning Alexander was op die tijd in Cilicië,
23 11, 15| 15 En Alexander, dit horende, kwam om tegen
24 11, 16| 16 En Alexander vlood naar Arabië, opdat
25 11, 17| Zabdiël, de Arabier, sloeg Alexander het hoofd af, en zond dat
26 11, 38| kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;~
|