Chapter, Verse
1 1, 27| 27 Want de oversten en ouderlingen zuchtten;
2 1, 30| jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de
3 3, 55| En na deze stelde Judas oversten des volks, oversten over
4 3, 55| Judas oversten des volks, oversten over duizend, en oversten
5 3, 55| oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten over
6 3, 55| en oversten over honderd, oversten over vijftig, en oversten
7 3, 55| oversten over vijftig, en oversten over tien.~
8 5, 18| Zacharias en Azaria tot oversten des volks met het overige
9 5, 40| En Timotheüs zeide tot de oversten van zijn krijgsvolk, toen
10 5, 56| van Zacharias, en Azaria, oversten van het krijgsvolk, de mannelijke
11 6, 28| vergaderde al zijn vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk, en
12 6, 38| overige krijgsvolk stelden de oversten aan de twee delen van het
13 6, 57| tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot
14 6, 60| behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om
15 6, 61| 61 En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen,
16 7, 26| een van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig
17 10, 37| over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld
18 10, 63| 63 En zeide tot zijn oversten: Gaat uit met hem in het
19 11, 61| hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond
20 11, 62| Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius te Kades in
21 11, 69| Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk
22 12, 24| Jonathan, horende dat de oversten des konings Demetrius wederkwamen
23 14, 2 | gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend te krijgen.~
24 14, 28| van het volk, en van de oversten van het volk, en der ouderlingen
25 16, 19| hij zond brieven aan de oversten over duizend, dat zij bij
|