Chapter, Verse
1 2, 65| 65 En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man
2 5, 17| Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek
3 5, 17| Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis
4 5, 24| Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan,
5 5, 55| Galaäd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover Ptolomaïs,~
6 9, 19| en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in
7 9, 29| 29 Van dat uw broeder Judas gestorven is, is geen
8 9, 31| op in de plaats van zijn broeder.~
9 9, 33| 33 En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met
10 9, 35| 35 En Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de
11 9, 37| werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat
12 9, 38| zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken en zich
13 9, 42| wraak over het bloed van hun broeder, en keerden weder aan de
14 9, 65| 65 En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij
15 10, 18| koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.~
16 10, 74| Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem, om hem te
17 11, 30| koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der
18 11, 58| 58 En hij stelde zijn broeder Simon tot een overste van
19 11, 63| getrokken; en liet zijn broeder Simon in het land.~
20 13, 14| opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen
21 13, 15| Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen, om het
22 13, 18| gezonden heeft, zo is zijn broeder omgekomen.~
23 13, 25| nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven
24 14, 17| horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester
25 16, 9 | 9 Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst;
|