Chapter, Verse
1 1, 33| plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar
2 1, 60| die zij vonden, nadat zij ze verscheurd hadden.~
3 2, 7 | om daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand
4 3, 19| kracht uit de hemel geeft ze.~
5 4, 43| besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats.~
6 4, 60| eniger tijd zouden komen en ze weder vertreden, gelijk
7 4, 61| zetten daar krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten ze
8 4, 61| ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren,
9 5, 30| nemen, en zij bestreden ze.~
10 5, 46| zeer sterk, en men kon ze noch ter rechter hand noch
11 6, 3 | de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon
12 6, 50| stelde daar een bezetting om ze te bewaren.~
13 7, 25| waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan,
14 7, 47| brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem.~
15 10, 9 | aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.~
16 10, 42| ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren,
17 10, 46| woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan,
18 10, 46| geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten
19 11, 4 | oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn
20 11, 60| voorsteden met vuur, en plunderde ze.~
21 11, 65| mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen
22 12, 34| daar een bezetting in, om ze te bewaren.~
23 13, 33| van Judea op, en bemuurde ze met hoge torens, en grote
24 15, 21| u gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester,
|