Chapter, Verse
1 1, 67| besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen
2 4, 6 | zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij gaarne
3 5, 46| zeer sterk, en men kon ze noch ter rechter hand noch ter
4 5, 46| ze noch ter rechter hand noch ter linkerhand voorbij trekken,
5 7, 18| Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want zij
6 8, 14| koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok,
7 8, 16| onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.~
8 8, 26| oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch
9 8, 26| proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven
10 8, 26| noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen;
11 8, 26| geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen
12 8, 28| zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen,
13 8, 28| gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch
14 8, 28| proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft
15 8, 28| noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de
16 9, 55| enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen
17 10, 73| vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om
18 10, 73| waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vlieden.~
19 12, 36| niet zouden kunnen kopen, noch verkopen.~
20 12, 54| Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat
21 12, 54| Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu
22 15, 19| doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch
23 15, 19| niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen,
24 15, 19| noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen
|