Chapter, Verse
1 1, 14| volk waren volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf
2 2, 45| Mattathias en zijn vrienden trokken rondom en verbraken hun
3 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun macht, en
4 5, 24| Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden
5 5, 52| over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het
6 5, 59| En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet,
7 5, 65| En Judas en zijn broeders trokken uit en bestreden de kinderen
8 5, 67| doen, omdat zij ten strijde trokken zonder raad.~
9 6, 40| sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede
10 6, 48| des konings leger waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem,
11 6, 49| uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij
12 6, 61| hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;~
13 7, 10| 10 En zij trokken uit en kwamen met een grote
14 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die naar Galgala
15 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar Berea, met twintigduizend
16 11, 66| Gennesareth, en des morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld
17 12, 46| krijgsvolk heen, en zij trokken naar het land van Juda.~
18 12, 47| gaan in Galilea, en duizend trokken met hem.~
19 12, 50| vermaanden zij elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid
20 13, 20| en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen,
21 16, 4 | en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, en sliepen
22 16, 5 | morgens vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld;
23 16, 6 | en de mannen het ziende trokken ook over achter hem.~
|