Chapter, Verse
1 2, 38| stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden
2 2, 40| hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons
3 2, 41| mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat
4 2, 41| laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen
5 3, 17| zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte,
6 3, 21| 21 Doch wij strijden voor onze zielen, en voor
7 4, 13| togen uit hun leger om te strijden, en die bij Judas waren
8 5, 39| gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.~
9 5, 59| tegemoet, om tegen hen te strijden.~
10 6, 4 | tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok
11 7, 43| legers kwamen met elkander te strijden, op de dertiende dag der
12 8, 28| 28 En die met hen strijden zal niets gegeven worden,
13 9, 9 | en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?~
14 9, 11| waren gesteld om eerst te strijden.~
15 10, 2 | en trok hem tegen om te strijden.~
16 10, 49| twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius
17 10, 71| laat ons daar met elkander strijden, want bij mij is de macht
18 11, 42| mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat al mijn krijgsvolk
19 11, 59| bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon,
20 12, 24| tevoren, om tegen hem te strijden,~
21 12, 50| aaneengesloten, bereid om te strijden.~
22 13, 14| en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten.~
23 15, 26| mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en
|