Chapter, Verse
1 10, 20| stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend
2 10, 32| over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen
3 10, 38| onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.~
4 10, 69| en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:~
5 12, 3 | en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk der Joden hebben
6 12, 6 | 6 Jonathan de hogepriester, en de raad des volks, en
7 12, 7 | zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning
8 12, 20| der Spartiaten, wenst de hogepriester Onias alle voorspoed.~
9 13, 36| koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend der koningen,
10 13, 42| jaar dat Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en
11 14, 17| broeder, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij
12 14, 20| Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de
13 14, 23| schreven zij aan Simon, de hogepriester.~
14 14, 27| het derde jaar dat Simon hogepriester was.~
15 14, 30| volk vergaderd had en hun hogepriester geworden was, en tot zijn
16 14, 35| hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen
17 14, 41| dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid,
18 14, 47| en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste,
19 15, 17| gezonden door Simon, de hogepriester, en door het volk der Joden;~
20 15, 21| levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar
21 15, 24| schreven zij aan Simon de hogepriester.~
22 16, 12| was de schoonzoon van de hogepriester.~
23 16, 24| af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden.~
|