Chapter, Verse
1 1, 13| 13 Want van die dag af dat wij van hen gescheiden
2 1, 16| zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond,
3 1, 23| werd, en hij trok het alles af.~
4 1, 33| haar huizen en muren rondom af;~
5 2, 15| Modin, die de lieden dwongen af te vallen, dat zij moesten
6 3, 8 | de toorn Gods van Israël af.~
7 3, 29| die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;~
8 3, 32| konings, van de rivier Eufraat af tot de landpalen van Egypte
9 6, 47| krijgsvolk, weken zij van hen af.~
10 6, 57| mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer
11 7, 45| hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara,
12 9, 9 | zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat
13 9, 24| hongersnood, en het land viel af met hen.~
14 9, 27| geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet was
15 10, 30| ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat gij die
16 10, 30| dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.~
17 10, 71| vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld,
18 11, 17| sloeg Alexander het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs.~
19 11, 34| vergunnen wij hun, van nu af.~
20 11, 58| van de gewesten van Tyrus af, tot de landpalen van Egypte
21 12, 33| uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot
22 15, 8 | u kwijtgescholden, en nu af en ten allen tijde.~
23 16, 24| hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester
|