Chapter, Verse
1 1, 9 | koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;~
2 1, 52| 52 Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten,
3 2, 2 | 2 En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd
4 2, 14| 14 En Mattathias en zijn zonen scheurden hun klederen,
5 2, 16| hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.~
6 2, 17| stad, en zeer sterk van zonen en broeders;~
7 2, 18| vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen verheerlijkt worden
8 2, 20| 20 Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broeders wandelen
9 2, 28| 28 En hij en zijn zonen vloden naar de bergen, en
10 2, 49| sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd,
11 2, 70| honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven
12 9, 53| 53 En hij nam de zonen van de overste des lands
13 9, 66| en zijn broeders, en de zonen van Fasiron in hun tenten;
14 11, 61| rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars,
15 13, 16| zilver, en twee van zijn zonen tot gijzelaars, opdat, als
16 14, 25| zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~
17 14, 49| schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen hebben.~ ~
18 16, 2 | Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide
19 16, 13| gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.~
20 16, 14| te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in
21 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen wel gedronken hadden, stond
22 16, 16| doodden hem, en zijn twee zonen, en enigen van zijn knechten.~
|