Chapter, Verse
1 3, 35| zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen,
2 4, 32| doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen
3 4, 61| bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.~ ~
4 5, 10| Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema, en zonden brieven
5 5, 11| komen, en in te nemen de sterkte, waarin wij gevloden zijn,
6 5, 29| en trok alsof hij naar de sterkte wilde gaan.~
7 5, 30| andere gereedschappen om de sterkte in te nemen, en zij bestreden
8 5, 66| 66 En heeft haar sterkte vernield, en al haar torens
9 6, 18| veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;~
10 6, 47| 47 En als zij zagen de sterkte des konings, en de aanval
11 6, 61| dingen, en zij trokken uit de sterkte;~
12 6, 62| de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de
13 8, 1 | dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden
14 8, 1 | dat zij machtig waren in sterkte.~
15 9, 50| sterke steden in Judea, en de sterkte in Jericho, en Bethel, en
16 10, 11| vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.~
17 10, 12| vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides had
18 10, 19| een machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt
19 12, 34| Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven aan die
20 12, 38| bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendelen.~
21 16, 8 | overgeblevenen vluchtten naar de sterkte.~
22 16, 15| met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij
|