Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
vaders 4
vallen 8
vallende 1
van 567
vandaar 8
vanwege 5
varen 1
Frequency    [«  »]
-----
2287 en
1161 de
567 van
518 het
470 hij
435 in

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

van

1-500 | 501-567

    Chapter, Verse
501 14, 27| En dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende 502 14, 27| geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste 503 14, 28| vergadering der priesters en van het volk, en van de oversten 504 14, 28| priesters en van het volk, en van de oversten van het volk, 505 14, 28| volk, en van de oversten van het volk, en der ouderlingen 506 14, 28| volk, en der ouderlingen van het land, is ons bekend 507 14, 29| 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias, van de kinderen 508 14, 29| de zoon van Mattathias, van de kinderen van Jarib, en 509 14, 29| Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn broeders, 510 14, 29| bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, 511 14, 32| hij maakte grote onkosten van zijn eigen geld, en bestelde 512 14, 32| de mannen der krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~ 513 14, 33| En versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de 514 14, 33| en Bethsura op de grenzen van Judea, waar tevoren de wapenen 515 14, 34| en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden 516 14, 35| volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, 517 14, 37| versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, 518 14, 37| verzekering van het land en van de stad, en hij trok de 519 14, 37| stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.~ 520 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte 521 14, 40| en dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet 522 14, 44| 44 En niemand van het volk en uit de priesters 523 14, 44| zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of 524 14, 44| tegen te spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of 525 14, 47| veldoverste, en overste van het volk der Joden, en der 526 14, 48| zou zetten in de omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke 527 15, 1 | 1 En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond 528 15, 1 | Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan 529 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende inhoud: De koning 530 15, 3 | boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, 531 15, 3 | daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, 532 15, 15| die met hem waren, kwamen van Rome, hebbende brieven aan 533 15, 18| ons gebracht een schild van duizend ponden.~ 534 15, 19| dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, 535 15, 20| wij hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen.~ 536 15, 25| en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon 537 15, 27| tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd.~ 538 15, 28| aan hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met hem 539 15, 28| burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.~ 540 15, 30| ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd 541 15, 31| Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten 542 15, 32| en zag de heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met 543 15, 33| hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, 544 15, 36| en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien 545 15, 38| Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, 546 15, 41| zij uitvallende de wegen van Judea zouden doorlopen, 547 16, 1 | 1 En Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn 548 16, 2 | vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd van der 549 16, 2 | vijanden van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot op 550 16, 7 | de ruiters in het midden van het voetvolk, doch de ruiterij 551 16, 7 | voetvolk, doch de ruiterij van de vijanden was zeer veel.~ 552 16, 8 | geslagen, en daar vielen van hen vele gewonden, en de 553 16, 9 | Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; maar 554 16, 10| torens, die in het land van Azote waren; en hij stak 555 16, 10| stad met vuur in brand, en van dezen vielen tot tweeduizend 556 16, 11| 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot 557 16, 11| overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel 558 16, 12| Want hij was de schoonzoon van de hogepriester.~ 559 16, 14| trekkende door de steden van het land, om te bezorgen 560 16, 14| om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam 561 16, 15| 15 En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, 562 16, 16| zijn twee zonen, en enigen van zijn knechten.~ 563 16, 20| in te nemen, en de berg van de tempel.~ 564 16, 23| uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd 565 16, 24| geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, 566 16, 24| in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, 567 16, 24| zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn


1-500 | 501-567

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License