Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
heren 2
herstellen 1
herwaarts 1
het 518
hetgeen 14
hetwelk 9
hetzelve 1
Frequency    [«  »]
2287 en
1161 de
567 van
518 het
470 hij
435 in
402 zijn

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

het

1-500 | 501-518

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 En het geschiedde, nadat Alexander, 2 1, 1 | de Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog, Darius 3 1, 3 | 3 En doortrok tot aan het uiterste der aarde, en grote 4 1, 3 | menigte der volken, en dat het land voor hem stil was.~ 5 1, 10| vermenigvuldigden de ellenden in het land.~ 6 1, 11| hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste 7 1, 11| honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.~ 8 1, 14| 14 En sommigen van het volk waren volvaardig en 9 1, 16| voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden 10 1, 16| heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.~ 11 1, 17| 17 En als het koninkrijk van Antiochus 12 1, 20| namen in de sterke steden in het land van Egypte, en hij 13 1, 21| geslagen had, keerde weder in het honderdendrieënveertigste 14 1, 23| met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden 15 1, 23| in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar 16 1, 23| gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, 17 1, 23| voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de 18 1, 23| gezien werd, en hij trok het alles af.~ 19 1, 24| 24 Hij nam het zilver en het goud, en de 20 1, 24| 24 Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke vaten; 21 1, 29| 29 En het land beefde over degenen 22 1, 29| beefde over degenen die het bewoonden, en het ganse 23 1, 29| degenen die het bewoonden, en het ganse huis van Jakob deed 24 1, 38| deze burcht was om altoos het heiligdom lagen te leggen, 25 1, 39| onschuldig bloed rondom het heiligdom, en verontreinigden 26 1, 39| heiligdom, en verontreinigden het heiligdom.~ 27 1, 45| 45 En alle volken namen het aan, naar het woord des 28 1, 45| volken namen het aan, naar het woord des konings.~ 29 1, 48| brandoffers, de offerande en het drankoffer uit het heiligdom 30 1, 48| offerande en het drankoffer uit het heiligdom weren zouden.~ 31 1, 50| 50 Dat zij het heiligdom en de heilige 32 1, 54| opzieners gemaakt over al het volk.~ 33 1, 56| 56 En velen van het volk vergaderden tot hen, 34 1, 56| zij deden veel kwaad in het land;~ 35 1, 58| van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste 36 1, 58| gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in 37 1, 61| bij iemand gevonden werd het boek des verbonds, en zo 38 1, 61| toestond, die doodden zij naar het bevel des konings, door 39 1, 63| vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar 40 1, 63| maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.~ 41 1, 67| besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen 42 2, 8 | 8 Het heiligdom is in de hand 43 2, 9 | en haar jongelingen door het zwaard des vijands.~ 44 2, 18| 18 Nu dan, komt gij het eerst tot ons, en doe het 45 2, 18| het eerst tot ons, en doe het bevel des konings, gelijk 46 2, 19| een grote stem: Al ware het dat alle volken, die in 47 2, 19| dat alle volken, die in het huis en koninkrijk des konings 48 2, 20| mijn broeders wandelen in het verbond onzer vaderen;~ 49 2, 22| 22 Het woord des konings zullen 50 2, 23| van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het 51 2, 23| het altaar te Modin, naar het bevel des konings.~ 52 2, 24| ontstak met toorn gelijk het recht is, en toelopende 53 2, 24| toelopende doodde hem op het altaar.~ 54 2, 25| dezelfde tijd, en verbrak het altaar.~ 55 2, 27| die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga 56 2, 29| die de gerechtigheid en het recht zochten, heen naar 57 2, 30| vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd 58 2, 31| geboodschapt dat er mannen, die het gebod des konings hadden 59 2, 33| 33 Het is nog tijd dat gij uitkomt, 60 2, 33| gij uitkomt, en doet naar het woord des konings, en gij 61 2, 33| des konings, en gij zult het leven behouden.~ 62 2, 34| uitkomen, en wij zullen het woord des konings niet doen, 63 2, 50| en stelt uw zielen voor het verbond uwer vaderen.~ 64 2, 52| niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid 65 2, 53| tijd zijner benauwdheid het gebod gehouden, en werd 66 2, 54| ijver heeft geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom 67 2, 55| 55 Jozua, als hij het woord heeft volbracht, is 68 2, 56| gegeven in de gemeente, heeft het erfdeel des lands gekregen.~ 69 2, 70| 70 En hij stierf in het honderdenzesenveertigste 70 2, 70| zijner vaderen in Modin, en het ganse Israël maakte over 71 3, 3 | veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende.~ 72 3, 5 | verbrandde degenen, die het volk beroerden;~ 73 3, 6 | tezamen beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis 74 3, 9 | Zijn naam werd verbreid tot het uiterste der aarde, en hij 75 3, 12| bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en 76 3, 14| zal verheerlijkt worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden 77 3, 14| die met hem zijn, en die het woord des konings verachten.~ 78 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen 79 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht dat velen besloten 80 3, 24| nedergang van Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn 81 3, 24| overigen zijn gevloden naar het land der Filistijnen.~ 82 3, 29| 29 En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, 83 3, 29| ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden, 84 3, 29| en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee 85 3, 35| 35 Dat hij het krijgsvolk zou zenden tegen 86 3, 35| Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem 87 3, 36| en dat hij hun land door het lot zou uitgeven.~ 88 3, 37| zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; 89 3, 39| ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te 90 3, 39| in het land van Juda, en het te verderven, naar het woord 91 3, 39| en het te verderven, naar het woord van de koning.~ 92 3, 40| zich nabij Emmanaüs, in het vlakke land.~ 93 3, 41| de macht van Syrië en van het land der vreemdelingen is 94 3, 42| waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en 95 3, 43| vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~ 96 3, 45| in ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, 97 3, 57| 57 En zo is het leger opgebroken, en zij 98 3, 57| zij legerden zich tegen het zuiden van Emmaüs.~ 99 3, 59| 59 Want het is beter dat wij in de strijd 100 4, 2 | Opdat zij vallen zouden op het leger der Joden, en hen 101 4, 4 | krijgsvolk nog verstrooid was van het leger.~ 102 4, 5 | 5 En Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, 103 4, 6 | 6 En zo haast het dag was, is Judas gezien 104 4, 6 | was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend 105 4, 7 | 7 En als zij nu het leger der heidenen zagen, 106 4, 10| barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; en 107 4, 14| geslagen, en vloden over het vlakke veld.~ 108 4, 15| de laatsten vielen voor het zwaard, en zij vervolgden 109 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk: Begeert hun plundering 110 4, 20| vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, 111 4, 21| zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke 112 4, 21| dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond 113 4, 22| zijn allen gevloden naar het land der vreemdelingen.~ 114 4, 23| zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel 115 4, 27| hij gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk 116 4, 28| 28 En hij vergaderde in het volgende jaar zestigduizend 117 4, 30| David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen 118 4, 33| 33 Werp hen terneder door het zwaard dergenen, die u liefhebben, 119 4, 34| aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend 120 4, 36| vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen, en 121 4, 36| heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden.~ 122 4, 37| 37 En het ganse leger werd vergaderd, 123 4, 38| 38 En zij zagen het heiligdom verwoest, en het 124 4, 38| het heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en de 125 4, 41| burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd 126 4, 43| 43 En zij reinigden het heiligdom, en namen de stenen 127 4, 44| wat zij zouden doen met het altaar des brandoffers, 128 4, 45| goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat hij 129 4, 46| de stenen op de berg van het huis, in een geschikte plaats, 130 4, 47| altaar, naar de gedaante van het eerste.~ 131 4, 48| 48 En zij bouwden het heiligdom, en het binnenste 132 4, 48| bouwden het heiligdom, en het binnenste van het huis, 133 4, 48| heiligdom, en het binnenste van het huis, en zij heiligden de 134 4, 49| tempel de kandelaar, en het altaar der brandoffers, 135 4, 50| 50 En rookten op het altaar, en ontstaken de 136 4, 52| is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste 137 4, 53| offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar der brandoffers, 138 4, 54| ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, met gezangen, 139 4, 55| 55 En al het volk nedervallende op hun 140 4, 56| hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, 141 4, 57| 57 En versierden het voorste deel van de tempel, 142 4, 58| zeer grote vreugde onder het volk, en de smaadheid der 143 4, 59| dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar 144 4, 61| Bethsura te bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben 145 5, 1 | 1 Het geschiedde, als de heidenen 146 5, 1 | daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en het 147 5, 1 | het altaar opgebouwd en het heiligdom weder ingewijd 148 5, 2 | zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te verdelgen; 149 5, 2 | verdelgen; allen die in het midden van hen waren, en 150 5, 2 | waren, en begonnen onder het volk enigen te doden en 151 5, 3 | Ezau in Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat 152 5, 4 | kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot een 153 5, 15| en Tyrus, en Sidon, met het ganse Galilea der vreemdelingen, 154 5, 16| 16 Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, 155 5, 18| tot oversten des volks met het overige krijgsvolk in Judea 156 5, 31| strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op 157 5, 33| trompetten, en riepen in het gebed.~ 158 5, 34| 34 En het leger van Timotheüs ontdekte 159 5, 34| van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden 160 5, 38| 38 En Judas zond om het leger te verspieden; en 161 5, 43| wapenen weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.~ 162 5, 44| de stad in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden 163 5, 44| in brand, en verbrandden het met vuur, met allen die 164 5, 44| konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas.~ 165 5, 45| groot leger, om te komen in het land van Juda.~ 166 5, 51| Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat 167 5, 51| hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, 168 5, 52| trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover 169 5, 53| de achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat 170 5, 53| weg, totdat hij kwam in het land van Juda.~ 171 5, 56| en Azaria, oversten van het krijgsvolk, de mannelijke 172 5, 58| 58 En het krijgsvolk dat met hen was 173 5, 60| daar vielen op die dag van het volk Israëls tot tweeduizend 174 5, 60| werd een grote vlucht onder het volk Israël;~ 175 5, 62| Doch zij waren niet van het zaad van die mannen, door 176 5, 63| zijn zeer verheerlijkt voor het ganse Israël, en al de volken, 177 5, 65| de kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden 178 5, 65| Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij sloeg 179 5, 66| opgebroken en getrokken in het land der vreemdelingen, 180 5, 68| Judas week naar Azote, in het land der vreemdelingen, 181 5, 68| steden, en keerde weder naar het land Juda.~ ~ 182 6, 2 | koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder 183 6, 5 | dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken 184 6, 7 | hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te 185 6, 7 | te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het eerst 186 6, 7 | zij het heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd 187 6, 8 | 8 En het geschiedde, als de koning 188 6, 8 | krankheid is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk 189 6, 12| 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem 190 6, 16| Antiochus stierf aldaar, in het honderdnegenenveertigste 191 6, 18| waren, de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd 192 6, 19| verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.~ 193 6, 20| zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, 194 6, 26| van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en 195 6, 30| 30 Zodat het getal van zijn krijgsvolk 196 6, 32| in Bethzacharia tegenover het leger des konings.~ 197 6, 33| morgens vroeg, en verplaatste het leger; het in grote haast 198 6, 33| en verplaatste het leger; het in grote haast brengende 199 6, 33| weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om 200 6, 34| zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en 201 6, 36| waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, 202 6, 36| waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij mee, 203 6, 37| mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.~ 204 6, 38| 38 En het overige krijgsvolk stelden 205 6, 38| oversten aan de twee delen van het leger, ter weerszijden, 206 6, 41| werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, 207 6, 41| geluid van hun menigte, en het gedruis der wapenen hoorden, 208 6, 41| der wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en 209 6, 43| koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al 210 6, 47| konings, en de aanval van het krijgsvolk, weken zij van 211 6, 49| besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands 212 6, 51| hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en 213 6, 53| eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende jaar was, en 214 6, 53| in hun vaten, omdat het het zevende jaar was, en die 215 6, 53| Judea gevloden waren, hadden het overige, dat weggelegd was, 216 6, 56| waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken 217 6, 57| en tot de oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: 218 6, 57| wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.~ 219 7, 1 | 1 In het honderdeenenvijftigste jaar 220 7, 2 | 2 En het geschiedde, toen hij ging 221 7, 2 | geschiedde, toen hij ging naar het koninklijke huis zijner 222 7, 2 | huis zijner vaderen, dat het krijgsvolk Antiochus en 223 7, 4 | 4 Het krijgsvolk doodde hen, en 224 7, 5 | was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap hebben.~ 225 7, 6 | 6 En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: 226 7, 7 | ons gedaan heeft, en aan het land des konings, en dat 227 7, 8 | rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning 228 7, 9 | Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en hij 229 7, 10| een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond 230 7, 14| die een priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen 231 7, 14| van Aäron, is gekomen met het krijgsvolk, en die zal ons 232 7, 17| 17 Zij hebben het vlees uwer heiligen, en 233 7, 18| hen, en een beving viel op het ganse volk, zodat zij zeiden: 234 7, 18| onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die zij 235 7, 19| overgelopen waren, en enigen van het volk, en hij doodde hen, 236 7, 20| hij stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem 237 7, 21| 21 En Alcimus streed om het hogepriesterschap.~ 238 7, 22| ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten 239 7, 24| tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.~ 240 7, 26| was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.~ 241 7, 33| enigen van de priesters uit het heiligdom, en enigen van 242 7, 33| begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de 243 7, 35| overgeleverd in mijn handen, zo zal het geschieden, indien ik met 244 7, 36| tempel, en stonden voor het altaar en de tempel, en 245 7, 37| aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn een huis 246 7, 38| leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan 247 7, 39| en aldaar ontmoette hem het krijgsvolk van Syrië.~ 248 7, 43| dertiende dag der maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, 249 7, 46| en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van 250 7, 47| kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor, en zijn 251 7, 48| 48 En het volk was zeer verheugd, 252 7, 50| 50 En het land van Juda was enige 253 8, 3 | wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen 254 8, 4 | En de koningen, die van het uiterste der aarde tegen 255 8, 8 | 8 En te geven het land van Indië, en Medië, 256 8, 15| des volks raad hielden, om het wel te regeren;~ 257 8, 18| 18 En om van hen het juk weg te nemen, overmits 258 8, 18| overmits zij zagen dat het rijk der Grieken Israël 259 8, 22| 22 En dit was het afschrift van de brief, 260 8, 23| 23 Dat het de Romeinen en het volk 261 8, 23| 23 Dat het de Romeinen en het volk der Joden moet welgaan, 262 8, 23| land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet 263 8, 25| 25 Zo zal het volk der Joden met volle 264 8, 27| 27 En volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog 265 8, 28| noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, 266 8, 29| maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.~ 267 8, 31| 31 Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning 268 9, 1 | tweeden male te zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel 269 9, 2 | Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen vele zielen 270 9, 3 | En in de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste 271 9, 6 | en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen 272 9, 11| 11 Ondertussen brak het krijgsvolk van Bacchides 273 9, 11| hadden de voortocht voor het krijgsvolk, en al de machtigen 274 9, 13| trompetten, zodat de aarde van het geluid des legers beefde, 275 9, 14| Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan 276 9, 14| Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand 277 9, 19| op en begroeven hem in het graf zijner vaderen te Modin.~ 278 9, 23| 23 En het geschiedde na de dood van 279 9, 24| zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen.~ 280 9, 31| die gelegenheid des tijds, het ambt van overste aan, en 281 9, 33| Thekoa, en legerden zich bij het water van het meer Asfar.~ 282 9, 33| legerden zich bij het water van het meer Asfar.~ 283 9, 41| veranderd in treuren, en het geluid hunner muziek in 284 9, 42| zij deden alzo wraak over het bloed van hun broeder, en 285 9, 44| vechten voor onze zielen, want het is heden niet gelijk gisteren 286 9, 45| voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan is 287 9, 45| de andere zijde, alsook het moeras en kreupelbos, en 288 9, 54| 54 En in het honderdendrieënvijftigste 289 9, 54| der profeten, en hij begon het te verbreken.~ 290 9, 57| weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee 291 9, 64| Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten 292 9, 65| stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder met 293 9, 69| geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden 294 9, 72| over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had 295 9, 73| 73 En zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan 296 9, 73| Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte 297 10, 1 | 1 En in het honderdenzestigste jaar 298 10, 5 | hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem 299 10, 7 | brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die 300 10, 20| kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij 301 10, 21| in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, 302 10, 21| honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en 303 10, 25| De koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.~ 304 10, 29| tollen, en van de impost van het zout, en van de kroongelden, 305 10, 29| van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.~ 306 10, 29| en van het derde deel van het gezaaide.~ 307 10, 30| opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van die streken, 308 10, 30| daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, 309 10, 33| ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen zijn 310 10, 34| dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na 311 10, 34| feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen 312 10, 37| koning bepaald heeft in het land Juda.~ 313 10, 38| de drie streken, die van het land van Samarië aan Judea 314 10, 39| 39 De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, 315 10, 39| behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, 316 10, 39| tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan 317 10, 43| al de landpalen daarvan het recht des konings, of enige 318 10, 44| 44 En tot het opbouwen en vernieuwen van 319 10, 45| des konings; en ook tot het opbouwen van de muren, die 320 10, 46| 46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, 321 10, 47| 47 Maar het dacht hun goed dat zij het 322 10, 47| het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, 323 10, 47| geweest; en zij hielden het met hem al die tijd.~ 324 10, 49| begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam 325 10, 49| en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over 326 10, 52| Dewijl ik wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, 327 10, 52| troon mijner vaderen, en het gebied bemachtigd heb, en 328 10, 55| gij zijt wedergekeerd in het land uwer vaderen, en gezeten 329 10, 57| zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste 330 10, 63| oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad, en laat 331 10, 64| 64 En het geschiedde, als zijn beschuldigers 332 10, 65| hem tot een overste van het krijgsvolk, en tot een metgezel 333 10, 67| 67 En in het honderdenvijfenzestigste 334 10, 67| zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land 335 10, 67| van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.~ 336 10, 71| krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons 337 10, 78| en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een 338 10, 80| Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters.~ 339 10, 81| zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg 340 10, 81| morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan 341 10, 83| ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vloden naar 342 10, 85| 85 En die met het zwaard waren omgebracht, 343 10, 88| 88 En het geschiedde, toen de koning 344 11, 1 | krijgsvolk, gelijk daar is het zand aan de oever der zee 345 11, 1 | vele schepen, en hij zocht het koninkrijk van Alexander 346 11, 1 | bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.~ 347 11, 2 | gingen hem tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander 348 11, 9 | gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.~ 349 11, 10| 10 Want het berouwt mij dat ik hem mijn 350 11, 17| Arabier, sloeg Alexander het hoofd af, en zond dat aan 351 11, 19| Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste 352 11, 22| werd gram; en zodra hij het hoorde, spande hij terstond 353 11, 22| aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, en dat 354 11, 22| ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem tegemoet 355 11, 23| priesters, en begaf zichzelf in het gevaar.~ 356 11, 25| En enige goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden 357 11, 27| En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, en in 358 11, 28| en de drie streken, en het land van Samarië vrij zou 359 11, 30| zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.~ 360 11, 31| 31 Het afschrift van de brief, 361 11, 31| wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.~ 362 11, 32| Wij hebben voorgenomen aan het volk der Joden, die onze 363 11, 33| Lydda en Ramatha, welke van het land van Samarië gevoegd 364 11, 33| jaarlijks van hen ontving van het gewas der aarde, en van 365 11, 36| alle gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld 366 11, 37| En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte 367 11, 37| zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat 368 11, 37| had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van 369 11, 38| waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius 370 11, 38| Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon 371 11, 44| van de stad vergaderden in het midden van de stad, omtrent 372 11, 45| En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en die 373 11, 51| van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~ 374 11, 53| wedergekeerd, en Antiochus, het jonge kind, met hem, en 375 11, 56| zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel 376 11, 63| liet zijn broeder Simon in het land.~ 377 11, 66| zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en des 378 11, 66| morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.~ 379 11, 67| 67 En ziet, het leger der vreemden ontmoette 380 11, 69| die oversten waren van het krijgsvolk des legers.~ 381 12, 3 | Jonathan, de hogepriester, en het volk der Joden hebben ons 382 12, 4 | vrede zouden geleiden in het land Juda.~ 383 12, 5 | 5 En dit is het afschrift van de brieven, 384 12, 6 | volks, en de priesters, en het andere volk der Joden wensen 385 12, 7 | onze broeders zijt, gelijk het afschrift hier onder gesteld 386 12, 11| in onze gebeden, gelijk het behoort en betamelijk is 387 12, 19| 19 Dit is het afschrift der brieven, die 388 12, 21| zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham.~ 389 12, 25| en hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij 390 12, 26| boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, om hen 391 12, 27| stelde buitenwachten rondom het leger.~ 392 12, 29| die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, 393 12, 32| naar Damaskus, en trok door het ganse land.~ 394 12, 33| Simon toog uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, 395 12, 33| heen naar Joppe, en nam het in.~ 396 12, 34| wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo 397 12, 35| riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met 398 12, 37| muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten 399 12, 46| gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk heen, en zij 400 12, 46| heen, en zij trokken naar het land van Juda.~ 401 12, 48| hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met hem 402 12, 49| krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en naar 403 12, 49| land van Galilea, en naar het grote vlakke veld, om te 404 12, 51| hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.~ 405 12, 52| 52 En zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden 406 12, 52| en zij vreesden zeer, en het ganse Israël bedreef zeer 407 13, 1 | bijeenvergaderde, om te komen naar het land van Juda, en het te 408 13, 1 | naar het land van Juda, en het te verdrukken;~ 409 13, 2 | 2 En ziende dat het volk zeer beangst en bevreesd 410 13, 2 | Jeruzalem, en vergaderde het volk,~ 411 13, 3 | ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders gedaan 412 13, 3 | hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen 413 13, 5 | 5 En nu het zij verre van mij, dat ik 414 13, 6 | voor mijn volk, en voor het heiligdom, en voor uw vrouwen 415 13, 12| Ptolomaïs, om met grote macht in het land van Juda te komen; 416 13, 13| zich in Adidis, tegenover het vlakke veld.~ 417 13, 15| broeder Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan des konings 418 13, 17| hem bedrog spraken, zond het geld, en de twee zoontjes, 419 13, 17| opdat hij misschien bij het volk niet grote vijandschap 420 13, 18| zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet 421 13, 20| deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat 422 13, 20| en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon 423 13, 22| trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd, en hij trok 424 13, 27| 27 En Simon bouwde over het graf van zijn vader, en 425 13, 27| broeders, een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, 426 13, 30| 30 Dit is het graf, dat hij maakte te 427 13, 32| bracht een grote plaag over het land.~ 428 13, 34| koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou willen 429 13, 36| koningen, en de ouderlingen, en het ganse Joodse volk, voorspoed.~ 430 13, 37| 37 De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die 431 13, 41| 41 In het honderdenzeventigste jaar 432 13, 41| honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen van Israël 433 13, 42| 42 En het volk van Israël begon te 434 13, 42| handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de 435 13, 49| verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen en te verkopen, 436 13, 51| van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste 437 13, 54| een veldoverste over al het krijgsvolk, en hij woonde 438 14, 1 | 1 In het honderdtweeënzeventigste 439 14, 3 | Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius, en 440 14, 4 | 4 Het land was in rust al de dagen 441 14, 4 | van Simon, want hij zocht het welvaren van zijn volk, 442 14, 6 | landpalen, en bemachtigde het land.~ 443 14, 8 | zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en 444 14, 10| heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste der aarde.~ 445 14, 11| 11 Hij maakte vrede in het land en Israël verheugde 446 14, 13| bestreden hielden op in het land, en de koningen waren 447 14, 15| 15 Het heiligdom verheerlijkte 448 14, 15| vermenigvuldigde de vaten van het heiligdom.~ 449 14, 17| was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en 450 14, 19| te Jeruzalem. En dit is het afschrift der brieven, die 451 14, 20| ouderlingen, en de priesters, en het andere volk der Joden, hun 452 14, 23| 23 En het heeft ons volk behaagd, 453 14, 23| eerlijk zou ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen 454 14, 23| daartoe verordineerd, opdat het volk der Spartiaten daarvan 455 14, 23| daarvan gedachtenis hebbe. En het afschrift hiervan schreven 456 14, 24| ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap 457 14, 25| 25 Als nu het volk deze zaken hoorde, 458 14, 26| koperen platen, en stelden het op aan kolommen op de berg 459 14, 27| 27 En dit is het afschrift van het geschrift: 460 14, 27| dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende 461 14, 27| dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste 462 14, 27| honderdtweeënzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester 463 14, 28| vergadering der priesters en van het volk, en van de oversten 464 14, 28| en van de oversten van het volk, en der ouderlingen 465 14, 28| en der ouderlingen van het land, is ons bekend geworden, 466 14, 28| bekend geworden, dewijl in het land dikwijls oorlogen zijn 467 14, 35| 35 Het volk zag de getrouwheid 468 14, 36| uitvallende alles rondom het heiligdom besmetten, en 469 14, 37| deze tot verzekering van het land en van de stad, en 470 14, 38| Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in alles;~ 471 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters 472 14, 42| gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst zouden 473 14, 42| gesteld zouden worden die over het land en over de wapenen 474 14, 43| ook zou verzorgen hetgeen het heiligdom aangaat, en dat 475 14, 43| dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden 476 14, 44| 44 En niemand van het volk en uit de priesters 477 14, 44| of enige vergadering in het land te vergaderen zonder 478 14, 46| 46 En het werd goedgevonden door al 479 14, 46| werd goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men 480 14, 47| veldoverste, en overste van het volk der Joden, en der priesters, 481 14, 48| zetten in de omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke 482 14, 49| 49 En dat het afschrift gelegd zou worden 483 15, 1 | overste der Joden, en aan al het volk;~ 484 15, 2 | priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.~ 485 15, 3 | Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader 486 15, 3 | hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om 487 15, 3 | dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe 488 15, 4 | 4 En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, 489 15, 4 | verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, 490 15, 7 | 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, 491 15, 10| 10 In het honderdvierenzeventigste 492 15, 10| Antiochus opgetrokken naar het land zijner vaderen, en 493 15, 17| de hogepriester, en door het volk der Joden;~ 494 15, 20| hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen.~ 495 15, 24| 24 En het afschrift daarvan schreven 496 15, 29| daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, 497 15, 33| zeide tot hem: Wij hebben het land van een ander niet 498 15, 35| gij eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, 499 15, 39| poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen. En 500 15, 40| kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea


1-500 | 501-518

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License