Chapter, Verse
1 4, 30| dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen
2 4, 30| der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan,
3 7, 37| 37 Here, gij hebt dit huis uitverkoren, dat
4 8, 31| geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op
5 10, 26| gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven zijt
6 10, 26| u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord,
7 10, 56| doen hetgeen gij geschreven hebt; doch kom mij tegemoet tot
8 10, 56| nemen, gelijk gij gezegd hebt.~
9 12, 10| gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~
10 12, 23| weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben,
11 12, 44| Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij al dit volk zo gekweld,
12 13, 37| kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en
13 13, 38| sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen uwe zijn.~
14 15, 7 | wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten, die gij
15 15, 7 | gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen uwe blijven.~
16 15, 28| handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd Joppe, en Gazara,
17 15, 29| 29 Gij hebt de landpalen daarvan verwoest,
18 15, 29| landpalen daarvan verwoest, en hebt over het land een grote
19 15, 29| grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd
20 15, 30| steden, die gij ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen,
21 15, 30| plaatsen, die gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten
22 15, 31| verwoesting, waarmee gij verwoest hebt, en voor de tollen der plaatsen,
|