Chapter, Verse
1 1, 14| trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om der heidenen
2 3, 28| opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen
3 3, 34| 34 En hij gaf hem over de helft van zijn
4 3, 34| en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat
5 6, 15| 15 En hij gaf hem zijn koninklijke hoed,
6 7, 9 | goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap,
7 9, 72| 72 En hij gaf hem de gevangenen over,
8 10, 6 | 6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk
9 10, 9 | over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.~
10 10, 58| Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter,
11 10, 60| ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver
12 10, 89| koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met
13 11, 12| nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius,
14 11, 57| tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken
15 11, 61| Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij
16 11, 65| rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef
17 12, 25| land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn
18 12, 43| aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte
19 13, 50| rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar
20 14, 8 | land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen
21 14, 32| krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~
22 15, 38| overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet
|