Chapter, Verse
1 2, 7 | overgegeven is in de hand der vijanden?~
2 4, 18| maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert
3 4, 36| broeders zeiden: Ziet onze vijanden zijn vermorzeld, laat ons
4 7, 29| elkander vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met
5 9, 8 | en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan.~
6 9, 29| uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en
7 9, 29| Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.~
8 9, 46| dat gij uit de handen der vijanden moogt behouden worden.~
9 10, 26| vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben
10 12, 15| wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.~
11 12, 15| van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.~
12 12, 28| 28 En de vijanden hoorden dat Jonathan en
13 14, 26| bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten onder gebracht,
14 14, 29| begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen
15 14, 31| 31 Als hun vijanden in hun land wilden invallen,
16 14, 33| waar tevoren de wapenen der vijanden geweest waren, en hij zette
17 14, 34| landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond,
18 15, 33| onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk bij zekere
19 16, 2 | huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd van
20 16, 7 | doch de ruiterij van de vijanden was zeer veel.~
|