Chapter, Verse
1 2, 17| zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot
2 3, 13| 13 En Seron, de overste der krijgsmachten van Syrië,
3 5, 6 | volk, en Timotheüs, hun overste.~
4 9, 30| heden uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats,
5 9, 31| des tijds, het ambt van overste aan, en hij stond op in
6 9, 35| Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, om aan
7 9, 53| hij nam de zonen van de overste des lands tot gijzelaars,
8 10, 65| en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk, en tot
9 11, 58| zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus
10 12, 54| zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen
11 13, 8 | zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en
12 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten
13 14, 35| zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester,
14 14, 41| behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn
15 14, 47| zijn, en veldoverste, en overste van het volk der Joden,
16 15, 1 | aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan al het
17 15, 2 | Simon, de grote priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.~
18 15, 38| stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem
19 16, 11| Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van
|