Chapter, Verse
1 2, 46| zo velen zij vonden in de landpalen van Israël;~
2 3, 32| rivier Eufraat af tot de landpalen van Egypte toe;~
3 3, 36| zou doen wonen in al hun landpalen, en dat hij hun land door
4 3, 42| krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de
5 5, 9 | Israëlieten, die in hun landpalen waren, om hen te verdelgen.~
6 5, 60| gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea; en daar vielen
7 6, 25| ons, maar ook tegen al hun landpalen.~
8 7, 24| 24 Trok uit in al de landpalen van Judea rondom, en deed
9 9, 23| verbrekers der wet in de landpalen van Israël tevoorschijn
10 9, 72| weder ondernomen in hun landpalen te komen.~
11 10, 31| heilig, en vrij met haar landpalen, en tienden, en tollen.~
12 10, 43| vluchten, en die in al de landpalen daarvan het recht des konings,
13 10, 89| stad Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.~ ~
14 11, 33| hebben wij hun toegelegd de landpalen van Judea; de drie streken,
15 11, 58| gewesten van Tyrus af, tot de landpalen van Egypte toe.~
16 14, 2 | hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een
17 14, 6 | verbreidde zijn volk hun landpalen, en bemachtigde het land.~
18 14, 34| gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden
19 15, 29| 29 Gij hebt de landpalen daarvan verwoest, en hebt
|