Chapter, Verse
1 2, 18| overgelaten zijn, en gij zult, alsook uw huis van des
2 2, 33| woord des konings, en gij zult het leven behouden.~
3 2, 51| hebben in hun tijden, en gij zult grote heerlijkheid ontvangen,
4 2, 64| mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.~
5 2, 66| krijgsoverste wezen, en gijlieden zult de krijg der volken voeren.~
6 2, 67| 67 En gij zult tot u brengen allen die
7 2, 67| allen die de wet doen, en zult de wraak uws volks uitvoeren.~
8 6, 22| 22 Hoe lang zult gij geen recht oefenen,
9 6, 22| gij geen recht oefenen, en zult onze broeders niet wreken?~
10 6, 27| dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.~
11 10, 70| 70 Zult gij alleen u verheffen tegen
12 10, 73| 73 En nu, gij zult niet kunnen bestaan tegen
13 11, 9 | Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk
14 11, 42| 42 Gij zult dan nu wel doen, dat gij
15 11, 56| de vrienden des konings zult zijn.~
16 12, 18| 18 En voorts zult gij wel doen, dat gij ons
17 12, 22| dingen verstaan hebben, zo zult gij wel doen, dat gij ons
18 13, 9 | zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.~
|