Chapter, Verse
1 2, 7 | 7 En zeide: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren,
2 2, 27| vasthoudt, die ga uit achter mij.~
3 6, 13| dat om dezer dingen wil mij deze ellenden getroffen
4 7, 3 | bekend werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten niet.~
5 7, 28| geen strijd zijn tussen mij en ulieden. Ik zal komen
6 9, 10| zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou
7 10, 54| en geef gij nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal
8 10, 56| geschreven hebt; doch kom mij tegemoet tot Ptolomaïs,
9 10, 71| elkander strijden, want bij mij is de macht der steden.~
10 11, 10| 10 Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter
11 11, 10| gegeven, want hij heeft mij gezocht te doden.~
12 11, 42| dan nu wel doen, dat gij mij mannen zendt, die mij helpen
13 11, 42| gij mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat al
14 11, 42| omdat al mijn krijgsvolk mij is afgevallen.~
15 12, 45| zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs,
16 13, 5 | En nu het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen
17 13, 37| purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij
18 15, 5 | hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en al de andere
|