1-500 | 501-518
Chapter, Verse
501 15, 40| in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen,
502 16, 2 | Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben
503 16, 2 | op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij
504 16, 4 | 4 En hij verkoos uit het land twintigduizend strijdbare
505 16, 5 | opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet, een
506 16, 6 | hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek
507 16, 6 | eerst over en de mannen het ziende trokken ook over
508 16, 7 | 7 En hij deelde het volk, en stelde de ruiters
509 16, 7 | en stelde de ruiters in het midden van het voetvolk,
510 16, 7 | ruiters in het midden van het voetvolk, doch de ruiterij
511 16, 10| tot in de torens, die in het land van Azote waren; en
512 16, 10| en hij keerde weder naar het land Juda met vrede.~
513 16, 11| gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho,
514 16, 13| verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen, en hij
515 16, 14| trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat
516 16, 14| Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste
517 16, 18| wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.~
518 16, 23| mannelijk uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren, die
|