Chapter, Verse
1 1, 1 | als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd
2 1, 2 | 2 Dat hij vele veldslagen voerde,
3 1, 5 | 5 En hij vergaderde een zeer sterke
4 1, 6 | 6 En na deze viel hij te bed; en wetende dat hij
5 1, 6 | hij te bed; en wetende dat hij sterven zou,~
6 1, 7 | 7 Riep hij zijn dienaars, de edelsten,
7 1, 7 | zijn koninkrijk uit terwijl hij nog leefde.~
8 1, 9 | 9 En nadat hij gestorven was zetten zij
9 1, 11| gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het
10 1, 14| trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om der heidenen
11 1, 17| Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over
12 1, 18| 18 En hij kwam in Egypte met een grote
13 1, 19| 19 En hij stelde de krijg aan tegen
14 1, 20| het land van Egypte, en hij kreeg de roof van Egypte.~
15 1, 21| 21 En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde
16 1, 23| 23 En hij ging met grote hovaardigheid
17 1, 23| de tempel gezien werd, en hij trok het alles af.~
18 1, 24| 24 Hij nam het zilver en het goud,
19 1, 24| de kostelijke vaten; en hij nam ook de verborgen schatten,
20 1, 24| verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen
21 1, 24| alles genomen hebbende trok hij naar zijn land.~
22 1, 25| 25 En hij liet vele mensen vermoorden,
23 1, 30| in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een
24 1, 31| 31 En hij sprak tot hen vreedzame
25 1, 32| 32 En hij viel onvoorzien in de stad,
26 1, 33| 33 En hij plunderde de stad, en verbrandde
27 1, 33| verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en muren
28 1, 54| Naar al deze woorden heeft hij geschreven aan zijn ganse
29 1, 55| 55 En hij beval de steden van Juda,
30 2, 2 | 2 En hij had vijf zonen, Johannes
31 2, 6 | 6 En hij zag de godslasteringen,
32 2, 23| 23 En als hij ophield deze woorden te
33 2, 24| zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn gelijk
34 2, 25| dwong te offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en
35 2, 26| 26 En hij ijverde voor de wet, gelijk
36 2, 28| 28 En hij en zijn zonen vloden naar
37 2, 49| Mattathias zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is de
38 2, 54| Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd,
39 2, 55| 55 Jozua, als hij het woord heeft volbracht,
40 2, 56| 56 Kaleb, als hij getuigenis heeft gegeven
41 2, 58| 58 Elia, als hij met een ijver voor de wet
42 2, 63| 63 Heden zal hij verhoogd worden en morgen
43 2, 63| verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want
44 2, 63| niet gevonden worden, want hij zal wederkeren tot stof,
45 2, 65| uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort
46 2, 65| hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.~
47 2, 69| 69 En hij zegende hen, en werd bij
48 2, 70| 70 En hij stierf in het honderdenzesenveertigste
49 3, 3 | 3 En hij heeft de eer zijns volks
50 3, 3 | zijns volks verbreid; en hij deed zijn pantser aan als
51 3, 4 | 4 Hij is in zijn werken een leeuw
52 3, 5 | 5 En hij, de goddelozen naarstig
53 3, 7 | 7 Hij heeft vele koningen verbitterd,
54 3, 7 | koningen verbitterd, en hij verheugde Jakob in zijn
55 3, 8 | 8 Hij doortrok de steden van Juda,
56 3, 9 | het uiterste der aarde, en hij vergaderde degenen, die
57 3, 12| 12 En hij heeft hun buit bekomen,
58 3, 12| zwaard van Apollonius, en hij streed daarmee al zijn dagen.~
59 3, 15| 15 En hij voer voort, en met hem trok
60 3, 15| goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou nemen over de
61 3, 16| 16 En hij naderde tot aan de opgang
62 3, 23| 23 Als hij ophield met spreken, zo
63 3, 23| ophield met spreken, zo viel hij terstond op hen aan, en
64 3, 27| deze woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer toornig,
65 3, 28| 28 En hij opende zijn schatkamer,
66 3, 29| 29 En toen hij zag dat het geld in zijn
67 3, 29| tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht;
68 3, 29| had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste
69 3, 30| geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand
70 3, 30| hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid
71 3, 31| 31 Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig
72 3, 32| 32 En hij liet Lysias, een geëerd
73 3, 33| Antiochus op te voeden, totdat hij zou wederkeren.~
74 3, 34| 34 En hij gaf hem over de helft van
75 3, 34| krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles
76 3, 34| hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben; ook
77 3, 35| 35 Dat hij het krijgsvolk zou zenden
78 3, 36| 36 En dat hij vreemde kinderen zou doen
79 3, 36| al hun landpalen, en dat hij hun land door het lot zou
80 3, 37| gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.~
81 3, 42| woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans
82 3, 60| de hemel zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~
83 4, 3 | Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te
84 4, 5 | op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.~
85 4, 10| verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger
86 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk: Begeert
87 4, 27| 27 En hij dit horende, werd verslagen,
88 4, 27| Israël niet was overkomen wat hij gaarne gewild had, en het
89 4, 28| 28 En hij vergaderde in het volgende
90 4, 30| sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend
91 4, 35| aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende,
92 4, 35| vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde,
93 4, 41| de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd
94 4, 42| 42 En hij verkoor onberispelijke priesters,
95 4, 45| het weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde,
96 5, 3 | als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote
97 5, 5 | 5 Besloot hij hen in de torens, en legerde
98 5, 5 | legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en
99 5, 6 | 6 En vandaar toog hij naar de kinderen van Ammon,
100 5, 6 | de kinderen van Ammon, en hij vond daar een grote macht,
101 5, 7 | 7 En hij leverde hun vele veldslagen,
102 5, 8 | ingenomen hebbende, keerde hij weder in Judea.~
103 5, 18| 18 En hij liet Jozef, de zoon van
104 5, 19| 19 En hij beval hun, zeggende: Weest
105 5, 21| Simon trok naar Galilea, en hij leverde vele veldslagen
106 5, 21| veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde de heidenen
107 5, 21| voor zijn aangezicht, en hij vervolgde hen tot de poorten
108 5, 28| scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde
109 5, 29| 29 En hij vertrok van daar des nachts,
110 5, 29| des nachts, en trok alsof hij naar de sterkte wilde gaan.~
111 5, 31| en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van
112 5, 34| voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote
113 5, 35| 35 En hij week naar Mizpa, en hij
114 5, 35| hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar
115 5, 36| 36 En hij trok vandaar, en nam in
116 5, 39| 39 En hij heeft de Arabieren gehuurd
117 5, 40| beek des waters: Indien hij eerst zal overkomen tot
118 5, 40| niet kunnen bestaan, want hij zal veel machtiger zijn
119 5, 41| 41 Maar indien hij zal vrezen, en zijn leger
120 5, 42| des waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks,
121 5, 42| schrijvers des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat
122 5, 43| 43 En hij was de eerste die over de
123 5, 51| legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het
124 5, 52| 52 En hij vernielde al wat mannelijk
125 5, 52| uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven
126 5, 53| op de gehele weg, totdat hij kwam in het land van Juda.~
127 5, 65| tegen het zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar vlekken.~
128 5, 68| hunner goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde
129 5, 68| verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof der steden,
130 6, 3 | 3 Zo is hij gekomen zoekende de stad
131 6, 3 | en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak
132 6, 4 | opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar
133 6, 8 | deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd
134 6, 8 | en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid
135 6, 8 | hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.~
136 6, 9 | 9 En hij was daar vele dagen, omdat
137 6, 9 | droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.~
138 6, 9 | werd, en hij meende dat hij zou sterven.~
139 6, 10| 10 Waarom hij al zijn vrienden riep, en
140 6, 14| 14 En hij riep Filippus, een van zijn
141 6, 15| 15 En hij gaf hem zijn koninklijke
142 6, 15| kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus
143 6, 17| zijn in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft,
144 6, 28| koning werd toornig toen hij dit hoorde, en vergaderde
145 6, 43| boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop
146 6, 44| 44 En hij begaf zich om zijn volk
147 6, 45| 45 En hij liep zeer stoutmoedig op
148 6, 45| midden in de slagorden, en hij sloeg dood ter rechter hand
149 6, 46| 46 En hij ging onder de olifant, en
150 6, 46| ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en
151 6, 46| deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat
152 6, 46| ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.~
153 6, 49| 49 En hij maakte vrede met degenen,
154 6, 51| 51 En hij sloeg zijn leger tegen het
155 6, 51| heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap
156 6, 55| de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had
157 6, 55| Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn,~
158 6, 56| getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich
159 6, 60| koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede
160 6, 62| en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood
161 6, 63| weder naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die
162 6, 63| over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam
163 7, 2 | En het geschiedde, toen hij ging naar het koninklijke
164 7, 3 | zaak bekend werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten
165 7, 7 | beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en
166 7, 7 | land des konings, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen
167 7, 9 | 9 En hij zond dezen; en meteen de
168 7, 9 | de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap,
169 7, 9 | het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen
170 7, 10| in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en
171 7, 15| 15 En hij sprak met hen vreedzame
172 7, 16| uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op een dag, naar
173 7, 19| enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen
174 7, 20| 20 En hij stelde Alcimus over het
175 7, 20| Alcimus over het land, en hij liet bij hem krijgsvolk,
176 7, 23| 23 En Judas, als hij zag al de boosheid, die
177 7, 25| sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan,
178 7, 25| kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en
179 7, 26| vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.~
180 7, 27| met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders,
181 7, 29| 29 En hij kwam tot Judas; en zij groetten
182 7, 30| zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen
183 7, 30| tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt,
184 7, 30| door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet
185 7, 34| 34 Maar hij bespotte hen en belachte
186 7, 35| 35 En hij zwoer met gramschap, zeggende:
187 7, 35| huis zal verbranden. En hij ging heen met grote gramschap.~
188 7, 43| Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die
189 7, 47| en zijn rechterhand, die hij hovaardig had uitgestrekt,
190 8, 17| de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met
191 9, 1 | gevoerd hadden, zo voer hij voort Bacchides en Alcimus
192 9, 7 | zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weder
193 9, 7 | bijeen te vergaderen, en hij werd zeer verslagen;~
194 9, 15| geslagen door dezen, en hij vervolgde hen tot de berg
195 9, 22| en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid
196 9, 31| ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van
197 9, 36| kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn
198 9, 47| om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.~
199 9, 49| omtrent duizend man, en hij keerde weder naar Jeruzalem.~
200 9, 50| 50 En hij bouwde sterke steden in
201 9, 52| 52 En hij maakte de stad van Bethsura
202 9, 52| en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden
203 9, 53| 53 En hij nam de zonen van de overste
204 9, 53| lands tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te
205 9, 54| zou afgebroken worden, en hij verbrak de werken der profeten,
206 9, 54| werken der profeten, en hij begon het te verbreken.~
207 9, 55| mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij
208 9, 55| hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord
209 9, 57| Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en
210 9, 58| Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in
211 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met een
212 9, 60| een grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan
213 9, 62| de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken
214 9, 63| dat vernam, zo vergaderde hij al zijn menigte, en ontbood
215 9, 64| 64 En hij kwam en legerde zich tegen
216 9, 64| zich tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen,
217 9, 65| broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en
218 9, 66| 66 Hij sloeg Odomer en zijn broeders,
219 9, 66| Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan, en met zijn
220 9, 68| vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen,
221 9, 69| hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en
222 9, 69| doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit
223 9, 71| deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet
224 9, 71| woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig
225 9, 72| 72 En hij gaf hem de gevangenen over,
226 9, 72| de gevangenen over, die hij tevoren in het land van
227 9, 72| wedergekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft
228 9, 72| trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weder ondernomen
229 10, 1 | en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.~
230 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen
231 10, 4 | hem vrede te maken, eer hij vrede make met Alexander
232 10, 5 | 5 Want hij zal gedachtig zijn al het
233 10, 6 | 6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk
234 10, 6 | gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot in de wapenen
235 10, 6 | de burcht waren, gebood hij hem over te geven.~
236 10, 7 | Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de
237 10, 9 | gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.~
238 10, 10| woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen,
239 10, 11| 11 En hij gebood de werklieden, dat
240 10, 15| en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders,
241 10, 16| 16 Zo zeide hij: Zouden wij ook een zodanige
242 10, 17| 17 En hij schreef aan hem brieven
243 10, 20| koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed,
244 10, 21| feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk, en
245 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze woorden:
246 10, 32| aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zodanige
247 10, 46| aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en
248 10, 46| Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.~
249 10, 47| zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider
250 10, 50| 50 En als hij zeer sterk aanhield in de
251 10, 53| tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen
252 10, 57| Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra;
253 10, 58| Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn
254 10, 59| schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~
255 10, 60| 60 En hij reisde met grote heerlijkheid
256 10, 60| goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen.~
257 10, 65| voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste
258 10, 74| Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed;
259 10, 74| ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend mannen,
260 10, 75| 75 En hij legerde zich tegen Joppe,
261 10, 78| 78 En hij trok naar Azote, alsof hij
262 10, 78| hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen,
263 10, 78| naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van
264 10, 88| dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te
265 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden gesp,
266 10, 89| koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron
267 11, 1 | zee en vele schepen, en hij zocht het koninkrijk van
268 11, 2 | 2 En hij trok in Syrië met vreedzame
269 11, 2 | zou tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was.~
270 11, 3 | in de steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk
271 11, 4 | 4 En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden
272 11, 9 | 9 En hij zond gezanten aan de koning
273 11, 10| dochter heb gegeven, want hij heeft mij gezocht te doden.~
274 11, 11| 11 En hij maakte hem veracht, omdat
275 11, 11| maakte hem veracht, omdat hij zijn koninkrijk begeerde.~
276 11, 12| 12 En hij nam zijn dochter weg, en
277 11, 12| haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd,
278 11, 15| met een sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht.~
279 11, 16| vlood naar Arabië, opdat hij daar mocht beschermd zijn.
280 11, 22| 22 En hij, dit horende, werd gram;
281 11, 22| horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, spande hij terstond
282 11, 22| zodra hij het hoorde, spande hij terstond aan, en kwam te
283 11, 22| schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden,
284 11, 22| beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem
285 11, 23| belegering zou voortgaan, en hij verkoos enige van de ouderlingen
286 11, 24| 24 En hij nam met zich zilver, en
287 11, 24| geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning te
288 11, 24| koning te Ptolomaïs, en hij vond genade bij hem.~
289 11, 26| voor hem waren geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid
290 11, 27| 27 En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap,
291 11, 27| alle andere zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest;
292 11, 27| was vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste
293 11, 28| Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken,
294 11, 29| koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven
295 11, 37| tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten
296 11, 37| vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden
297 11, 37| daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen
298 11, 39| 39 En hij hield bij hem aan, dat bij
299 11, 39| hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning
300 11, 39| krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.~
301 11, 40| de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht
302 11, 52| 52 En hij hield niet van hetgeen hij
303 11, 52| hij hield niet van hetgeen hij beloofd had, en werd vervreemd
304 11, 52| vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar de
305 11, 52| bij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.~
306 11, 53| en dat werd koning, en hij zette hem de koninklijke
307 11, 54| die streden tegen hem, en hij vlood, en werd op de vlucht
308 11, 57| 57 En hij zond hem veel goudwerk tot
309 11, 57| goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen
310 11, 58| 58 En hij stelde zijn broeder Simon
311 11, 59| hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die
312 11, 60| 60 En hij vertrok vandaar naar Gaza,
313 11, 60| uitgesloten zijnde, belegerde hij haar rondom, en verbrandde
314 11, 61| Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand,
315 11, 61| gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten
316 11, 64| Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen,
317 11, 65| rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef
318 11, 65| hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en
319 11, 71| 71 En hij keerde weder tot hen, en
320 11, 71| weder tot hen, en streed, en hij dreef hen op de vlucht,
321 12, 2 | 2 En hij zond ook aan de Spartiaten,
322 12, 25| Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land
323 12, 25| het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in
324 12, 26| 26 En hij zond verspieders in zijn
325 12, 27| strijd, de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom
326 12, 31| Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun
327 12, 32| 32 En optrekkende, kwam hij naar Damaskus, en trok door
328 12, 34| Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om
329 12, 36| de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat
330 12, 37| de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan de
331 12, 40| niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen hem
332 12, 40| oorlog zou voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen
333 12, 41| 41 En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan
334 12, 41| ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.~
335 12, 42| 42 En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht
336 12, 44| 44 En hij sprak Jonathan aldus aan:
337 12, 46| 46 En hij, hem gelovende, deed gelijk
338 12, 46| hem gelovende, deed gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk
339 12, 46| deed gelijk hij zeide, en hij zond het krijgsvolk heen,
340 12, 47| 47 En hij liet bij zich blijven drieduizend
341 12, 47| drieduizend man, van welke hij tweeduizend liet gaan in
342 12, 50| verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was,
343 13, 2 | beangst en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde
344 13, 7 | 7 En hij wekte de geest des volks
345 13, 10| 10 En hij vergaderde alle strijdbare
346 13, 10| Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom.~
347 13, 11| 11 En hij zond Jonathan, de zoon van
348 13, 11| grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen
349 13, 11| degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.~
350 13, 14| broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden,
351 13, 15| gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer
352 13, 15| is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.~
353 13, 16| tot gijzelaars, opdat, als hij losgelaten zal zijn, hij
354 13, 16| hij losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en
355 13, 17| 17 En Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog
356 13, 17| de twee zoontjes, opdat hij misschien bij het volk niet
357 13, 18| Die zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen
358 13, 19| 19 Hij zond dan de zoontjes en
359 13, 19| en honderd talenten; doch hij bedroog hem met leugen,
360 13, 20| om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde
361 13, 20| tegen in alle plaatsen, waar hij heentrok.~
362 13, 21| hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen
363 13, 22| had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege de sneeuw niet,
364 13, 23| 23 En toen hij tot Bascama naderde, doodde
365 13, 23| Bascama naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar
366 13, 23| doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven.~
367 13, 28| 28 En hij stelde daarop zeven pyramiden,
368 13, 29| 29 En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom
369 13, 29| enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei
370 13, 30| 30 Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, hetwelk
371 13, 34| verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius,
372 13, 34| de koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou willen
373 13, 43| zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom,
374 13, 43| belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en
375 13, 45| stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde
376 13, 47| wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin
377 13, 47| afgoden waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende
378 13, 48| 48 En hij wierp uit haar alle onreinheid,
379 13, 48| de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde
380 13, 50| zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde
381 13, 50| rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen
382 13, 50| dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de
383 13, 51| 51 En hij deed zijn intocht daarin
384 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks
385 13, 53| 53 En hij versterkte de berg des tempels,
386 13, 53| die bij de burcht was, en hij ging daar wonen met al de
387 13, 54| over al het krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.~ ~
388 14, 2 | landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om
389 14, 3 | leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem
390 14, 4 | de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren van zijn
391 14, 5 | 5 En hij kreeg, boven al zijn heerlijkheid,
392 14, 5 | Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden der
393 14, 6 | 6 En hij verbreidde zijn volk hun
394 14, 7 | 7 En hij vergaderde vele gevangenen,
395 14, 7 | Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit
396 14, 10| 10 De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag
397 14, 10| voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei
398 14, 11| 11 Hij maakte vrede in het land
399 14, 14| 14 Hij versterkte al de nederigen
400 14, 14| de nederigen zijns volks; hij onderzocht naarstig de wet,
401 14, 15| heiligdom verheerlijkte hij, en vermenigvuldigde de
402 14, 17| hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had,
403 14, 26| 26 Want hij, en zijn broeders, en zijn
404 14, 32| oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten van
405 14, 33| vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse mannen
406 14, 34| 34 En hij versterkte ook Joppe, aan
407 14, 34| tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te
408 14, 34| hun wederoprichting stelde hij daarin.~
409 14, 35| en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen,
410 14, 35| een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan,
411 14, 35| gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en
412 14, 35| volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren
413 14, 37| land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem
414 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn
415 14, 39| een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem met grote
416 14, 40| 40 Want hij had gehoord, dat de Joden
417 14, 42| 42 Dat hij hun veldoverste zou zijn,
418 14, 42| veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat door
419 14, 43| heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd
420 14, 43| geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen
421 14, 43| zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.~
422 14, 47| En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester
423 14, 47| aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en
424 15, 11| Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora,
425 15, 12| 12 Want hij zag dat de ellenden op hem
426 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad, en voegde
427 15, 21| de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.~
428 15, 22| 22 Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning
429 15, 25| instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand
430 15, 27| 27 En hij wilde dit niet ontvangen,
431 15, 27| maar verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt
432 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius,
433 15, 32| en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde
434 15, 36| 36 En hij keerde weder tot de koning
435 15, 36| heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning
436 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich
437 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea;
438 15, 39| legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron
439 15, 39| en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en
440 15, 39| poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen.
441 15, 40| te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,~
442 16, 4 | 4 En hij verkoos uit het land twintigduizend
443 16, 6 | 6 Hij en zijn volk legerde zich
444 16, 6 | recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde
445 16, 6 | de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen
446 16, 7 | 7 En hij deelde het volk, en stelde
447 16, 8 | 8 En hij liet de trompetten blazen,
448 16, 9 | Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs
449 16, 10| land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur in
450 16, 10| tot tweeduizend man, en hij keerde weder naar het land
451 16, 11| vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,~
452 16, 12| 12 Want hij was de schoonzoon van de
453 16, 13| hart werd verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen,
454 16, 13| het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken tegen
455 16, 14| zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en
456 16, 14| en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias
457 16, 15| sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde
458 16, 18| zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde
459 16, 18| hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden
460 16, 19| 19 En hij zond anderen naar Gazara,
461 16, 19| Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de oversten
462 16, 19| hem zouden komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken
463 16, 20| 20 En hij zond anderen om Jeruzalem
464 16, 21| en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem ook
465 16, 22| 22 En hij, dit horende, werd zeer
466 16, 22| werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen
467 16, 22| brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten
468 16, 23| zijn mannelijke daden, die hij mannelijk uitgericht heeft,
469 16, 23| opbouwen van de muren, die hij opgebouwd heeft, en zijn
470 16, 24| hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester
|