Chapter, Verse
1 3, 42| 42 Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden,
2 4, 21| 21 En dezen, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende
3 4, 21| ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas
4 4, 30| 30 En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide:
5 4, 35| 35 Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden,
6 9, 7 | 7 Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen
7 9, 16| de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld
8 11, 37| 37 En Demetrius ziende dat het land voor hem in
9 11, 38| Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen
10 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd
11 11, 72| 72 Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden
12 12, 1 | 1 Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds
13 12, 42| 42 En Tryfon ziende dat hij daar met een grote
14 12, 51| degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold,
15 13, 2 | 2 En ziende dat het volk zeer beangst
16 13, 54| 54 Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu
17 16, 6 | eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter
|