Chapter, Verse
1 1, 23| heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar des lichts,
2 1, 63| dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.~
3 2, 23| allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel
4 2, 24| toelopende doodde hem op het altaar.~
5 2, 25| dezelfde tijd, en verbrak het altaar.~
6 4, 38| heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en de poorten
7 4, 44| zij zouden doen met het altaar des brandoffers, dat ontheiligd
8 4, 45| hadden, en zij namen dit altaar weg;~
9 4, 47| en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het
10 4, 49| tempel de kandelaar, en het altaar der brandoffers, en der
11 4, 50| 50 En rookten op het altaar, en ontstaken de lampen
12 4, 53| naar de wet, op het nieuwe altaar der brandoffers, dat zij
13 4, 56| hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, offerende
14 4, 59| dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na
15 5, 1 | daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en het heiligdom
16 6, 7 | de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem,
17 7, 36| tempel, en stonden voor het altaar en de tempel, en weenden
|