Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ijzeren 1
ik 60
impost 1
in 435
indachtig 1
indiaan 1
indië 1
Frequency    [«  »]
567 van
518 het
470 hij
435 in
402 zijn
387 die
378 zij

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

in

    Chapter, Verse
1 1, 1 | en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, 2 1, 1 | regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had;~ 3 1, 8 | dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.~ 4 1, 10| vermenigvuldigden de ellenden in het land.~ 5 1, 11| hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste 6 1, 12| 12 In deze dagen gingen uit Israël 7 1, 18| 18 En hij kwam in Egypte met een grote menigte, 8 1, 20| vele gewonden, en zij namen in de sterke steden in het 9 1, 20| namen in de sterke steden in het land van Egypte, en 10 1, 21| geslagen had, keerde weder in het honderdendrieënveertigste 11 1, 23| met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het 12 1, 23| het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en 13 1, 26| daar geschiedde grote rouw in Israël, in al hun plaatsen.~ 14 1, 26| geschiedde grote rouw in Israël, in al hun plaatsen.~ 15 1, 28| bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was 16 1, 28| haar bruidskamer zat was in rouw.~ 17 1, 30| oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij 18 1, 32| 32 En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met 19 1, 32| en vernielde veel volk in Israël.~ 20 1, 36| hielden, en werden sterk in dezelve.~ 21 1, 41| vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar 22 1, 43| haar hoogheid is verkeerd in rouw.~ 23 1, 56| en zij deden veel kwaad in het land;~ 24 1, 57| maakten dat Israël zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen.~ 25 1, 57| Israël zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen.~ 26 1, 58| dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste 27 1, 58| het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden 28 1, 59| 59 En in de deuren van de huizen, 29 1, 62| werden van maand tot maand in al de steden.~ 30 1, 66| 66 Doch velen in Israël zijn versterkt geworden, 31 2, 1 | 1 In die dagen stond op Mattathias, 32 2, 1 | en had zijn woonplaats in Modin.~ 33 2, 6 | de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem geschiedden,~ 34 2, 7 | daar ze overgegeven is in de hand der vijanden?~ 35 2, 8 | 8 Het heiligdom is in de hand der vreemdelingen. 36 2, 9 | kleine kinderen zijn gedood in haar straten, en haar jongelingen 37 2, 15| enigen van des konings wege, in de stad Modin, die de lieden 38 2, 17| wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk 39 2, 18| mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, 40 2, 19| het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk des 41 2, 20| en mijn broeders wandelen in het verbond onzer vaderen;~ 42 2, 27| 27 En Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, 43 2, 28| lieten al wat zij hadden in de stad.~ 44 2, 31| krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, 45 2, 31| konings hadden verbroken, in de holen in de woestijn 46 2, 31| hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, 47 2, 37| 37 Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid. De hemel 48 2, 41| sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.~ 49 2, 44| en sloegen de zondaren in hun toorn, en de boze mannen 50 2, 44| toorn, en de boze mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen 51 2, 46| waren, zo velen zij vonden in de landpalen van Israël;~ 52 2, 47| dit werk werd voorspoedig in hun hand.~ 53 2, 51| daden zij gedaan hebben in hun tijden, en gij zult 54 2, 52| 52 Is Abraham in de verzoeking niet getrouw 55 2, 53| 53 Jozef heeft in de tijd zijner benauwdheid 56 2, 55| volbracht, is een rechter in Israël geworden.~ 57 2, 56| getuigenis heeft gegeven in de gemeente, heeft het erfdeel 58 2, 57| 57 David, in zijn barmhartigheid, heeft 59 2, 58| heeft geijverd, is opgenomen in de hemel.~ 60 2, 60| 60 Daniël is in zijn eenvoudigheid gerukt 61 2, 64| gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want gij zult in 62 2, 64| in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.~ 63 2, 70| 70 En hij stierf in het honderdenzesenveertigste 64 2, 70| zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen 65 2, 70| de graven zijner vaderen in Modin, en het ganse Israël 66 3, 1 | Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;~ 67 3, 4 | 4 Hij is in zijn werken een leeuw gelijk 68 3, 7 | en hij verheugde Jakob in zijn werken, en zijn gedachtenis 69 3, 7 | en zijn gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~ 70 3, 7 | gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~ 71 3, 14| zal verheerlijkt worden in het koninkrijk, en ik zal 72 3, 18| dat velen besloten worden in de handen van weinigen, 73 3, 19| 19 Want de overwinning in de krijg bestaat niet in 74 3, 19| in de krijg bestaat niet in de menigte der macht, maar 75 3, 24| 24 En zij vervolgden hen in de nedergang van Bethoron 76 3, 27| woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer toornig, 77 3, 29| toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en 78 3, 29| ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen 79 3, 29| tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; 80 3, 30| zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen;~ 81 3, 31| 31 Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig 82 3, 36| kinderen zou doen wonen in al hun landpalen, en dat 83 3, 37| van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; 84 3, 39| zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het 85 3, 40| legerden zich nabij Emmanaüs, in het vlakke land.~ 86 3, 41| dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen, om de 87 3, 42| krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan 88 3, 45| die daar geboren waren, in ging of uitging, en het 89 3, 51| ontheiligd en uw priesters zijn in rouw en vernedering.~ 90 3, 59| Want het is beter dat wij in de strijd sterven, dan dat 91 3, 60| Doch gelijk de wil van God in de hemel zal zijn, zo doe 92 4, 3 | krijgsmacht des konings, die in Emmaüs was;~ 93 4, 5 | 5 En Gorgias kwam in het leger van Judas des 94 4, 6 | dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend 95 4, 7 | daarom stond, (en deze waren in de krijg wèl ervaren),~ 96 4, 9 | onze vaderen zijn behouden in de Rode zee toen Faraö met 97 4, 20| 20 En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat 98 4, 20| en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want 99 4, 21| dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond 100 4, 24| lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, 101 4, 24| zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid.~ 102 4, 28| 28 En hij vergaderde in het volgende jaar zestigduizend 103 4, 29| 29 En zij, in Idumeä gekomen zijnde, legerden 104 4, 30| vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, 105 4, 31| 31 Besluit dit leger in de hand van uw volk Israël, 106 4, 31| laat hen beschaamd worden in hun macht en paarden.~ 107 4, 35| weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.~ 108 4, 36| reinigen, en het opnieuw in te wijden.~ 109 4, 38| de poorten verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, 110 4, 38| voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op 111 4, 40| alarm, en riepen tot God in de hemel.~ 112 4, 43| besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats.~ 113 4, 46| op de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat 114 4, 49| heilige vaten, en zij brachten in de tempel de kandelaar, 115 4, 50| kandelaar, en zij gaven licht in de tempel.~ 116 4, 52| deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste 117 4, 55| aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed 118 4, 60| 60 En zij bouwden in die tijd rondom op de berg 119 4, 61| zij zetten daar krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten 120 5, 2 | te verdelgen; allen die in het midden van hen waren, 121 5, 3 | Judas de kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde, het 122 5, 5 | 5 Besloot hij hen in de torens, en legerde zich 123 5, 8 | hebbende, keerde hij weder in Judea.~ 124 5, 9 | 9 En de heidenen die in Galaäd waren, vergaderden 125 5, 9 | tegen de Israëlieten, die in hun landpalen waren, om 126 5, 11| bereiden zich om te komen, en in te nemen de sterkte, waarin 127 5, 13| En al onze broeders, die in de plaatsen van Toubin waren, 128 5, 16| doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en 129 5, 17| broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en 130 5, 17| broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.~ 131 5, 18| met het overige krijgsvolk in Judea tot derzelver bewaring.~ 132 5, 23| hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde.~ 133 5, 24| reisden de weg van drie dagen in de woestijn;~ 134 5, 25| al wat met hun broederen in Galaäditis geschied was;~ 135 5, 26| waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, 136 5, 27| 27 En dat zijn ook in al die overige steden van 137 5, 27| tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te 138 5, 28| met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk 139 5, 30| gereedschappen om de sterkte in te nemen, en zij bestreden 140 5, 33| de trompetten, en riepen in het gebed.~ 141 5, 35| bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk 142 5, 36| hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor, en 143 5, 43| hun wapenen weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn 144 5, 44| 44 En zij namen de stad in, en zij staken het bos in 145 5, 44| in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden het 146 5, 45| vergaderde al de Israëlieten, die in Galaäditis waren, van de 147 5, 45| groot leger, om te komen in het land van Juda.~ 148 5, 50| doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal 149 5, 51| En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, 150 5, 51| een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, 151 5, 51| gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.~ 152 5, 52| trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover 153 5, 53| gehele weg, totdat hij kwam in het land van Juda.~ 154 5, 54| gevallen was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.~ 155 5, 55| 55 En in die dagen toen Judas en 156 5, 55| dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, 157 5, 55| en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover Ptolomaïs,~ 158 5, 65| bestreden de kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden 159 5, 66| opgebroken en getrokken in het land der vreemdelingen, 160 5, 67| dag vielen de priesters in de strijd, daar zij een 161 5, 68| En Judas week naar Azote, in het land der vreemdelingen, 162 6, 1 | bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een 163 6, 1 | horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard 164 6, 3 | gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, 165 6, 5 | een die hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die 166 6, 8 | bed vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, 167 6, 11| 11 En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking 168 6, 11| goedertieren en bemind ware geweest in mijn heerschappij!~ 169 6, 12| ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en 170 6, 13| verga van grote droefheid in een vreemd land.~ 171 6, 16| Antiochus stierf aldaar, in het honderdnegenenveertigste 172 6, 17| zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in 173 6, 17| in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft, 174 6, 20| vergaderd zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste 175 6, 23| te dienen, en te wandelen in hetgeen door hem geboden 176 6, 26| om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben 177 6, 32| de burcht en legerde zich in Bethzacharia tegenover het 178 6, 33| verplaatste het leger; het in grote haast brengende tegen 179 6, 38| weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.~ 180 6, 40| naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde.~ 181 6, 45| stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg 182 6, 48| koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.~ 183 6, 49| leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, 184 6, 50| En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting 185 6, 53| zij hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het 186 6, 53| behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren, hadden 187 6, 54| waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits 188 6, 54| waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.~ 189 6, 63| tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~ 190 7, 1 | 1 In het honderdeenenvijftigste 191 7, 5 | wet, en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun 192 7, 8 | der rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning 193 7, 10| met een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij 194 7, 19| doodde hen, en wierp hen in een grote put.~ 195 7, 24| 24 Trok uit in al de landpalen van Judea 196 7, 24| werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.~ 197 7, 32| vijfhonderd mannen, en zij vloden in de stad Davids.~ 198 7, 35| niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het 199 7, 36| 36 En de priesters gingen in de tempel, en stonden voor 200 7, 40| 40 En Judas legerde zich in Adasa met drieduizend man, 201 7, 43| zelf was de eerste, die in deze strijd viel.~ 202 7, 50| van Juda was enige dagen in rust.~ ~ 203 8, 1 | Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht 204 8, 1 | en dat zij machtig waren in sterkte.~ 205 8, 3 | En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om 206 8, 5 | tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld en 207 8, 9 | als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, 208 8, 14| 14 En dat in deze allen niemand van hen 209 8, 18| Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht.~ 210 8, 19| was zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden 211 8, 22| brief, welke zij schreven in koperen tafels, en naar 212 8, 23| welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard 213 8, 24| wapenen met hen hebben, in hun gebied,~ 214 8, 25| genegenheid des harten de Romeinen in de oorlog bijstaan, zoals 215 8, 27| zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, 216 9, 2 | zich te Masaloth, hetwelk in Arbele ligt, en zij namen 217 9, 2 | Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen vele zielen 218 9, 3 | 3 En in de eerste maand van het 219 9, 7 | de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat 220 9, 11| de ruiterij was verdeeld in twee delen, en die met slingers 221 9, 16| 16 En die in de linkervleugel waren, 222 9, 19| broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen 223 9, 23| alle verbrekers der wet in de landpalen van Israël 224 9, 24| 24 In die dagen werd daar een 225 9, 27| 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking, 226 9, 30| om onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste, 227 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid des tijds, 228 9, 31| overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.~ 229 9, 33| dat vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden 230 9, 38| optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.~ 231 9, 41| werd de bruiloft veranderd in treuren, en het geluid hunner 232 9, 41| het geluid hunner muziek in klagen.~ 233 9, 46| 46 Roept dan nu tot God in de hemel, dat gij uit de 234 9, 48| met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwemmen over, 235 9, 50| hij bouwde sterke steden in Judea, en de sterkte in 236 9, 50| in Judea, en de sterkte in Jericho, en Bethel, en Thamnasa 237 9, 53| gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om 238 9, 54| 54 En in het honderdendrieënvijftigste 239 9, 54| honderdendrieënvijftigste jaar, in de tweede maand, gebood 240 9, 55| 55 En in dezelfde tijd werd Alcimus 241 9, 56| 56 En Alcimus stierf in dezelfde tijd met grote 242 9, 57| koning, en het land Juda was in rust twee jaren.~ 243 9, 58| en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat 244 9, 58| hij zal hen allen tezamen in één nacht grijpen.~ 245 9, 60| aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan 246 9, 62| vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en 247 9, 63| menigte, en ontbood ook die in Judea waren.~ 248 9, 65| liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit 249 9, 65| de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder 250 9, 66| en de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon 251 9, 69| 69 En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze 252 9, 69| geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij 253 9, 72| gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen 254 9, 72| heeft nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.~ 255 9, 73| En zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging 256 9, 73| en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon 257 9, 73| maakte dat de goddelozen in Israël niet verschenen.~ ~ 258 10, 1 | 1 En in het honderdenzestigste jaar 259 10, 1 | toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen 260 10, 6 | dat hij zijn medegenoot in de wapenen zou zijn; en 261 10, 12| En de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides 262 10, 14| 14 Alleen in Bethsura zijn enigen overgebleven 263 10, 19| gij een machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam 264 10, 21| trok de heilige rok aan in de zevende maand van het 265 10, 26| gehouden, en gebleven zijt in onze vriendschap, en u tot 266 10, 33| land Juda gevangen zijn in mijn ganse koninkrijk, laat 267 10, 34| zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van 268 10, 36| zullen gesteld worden enigen in de grote sterkten des konings;~ 269 10, 37| koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over 270 10, 37| de koning bepaald heeft in het land Juda.~ 271 10, 41| van de behoeften, gelijk in de eerste jaren, dat zullen 272 10, 42| uit de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse 273 10, 43| 43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen 274 10, 43| zullen vluchten, en die in al de landpalen daarvan 275 10, 43| losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.~ 276 10, 45| opbouwen van de muren, die in Judea zijn.~ 277 10, 46| dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat 278 10, 50| hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang 279 10, 52| Dewijl ik wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, 280 10, 55| waarop gij zijt wedergekeerd in het land uwer vaderen, en 281 10, 57| zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste 282 10, 58| en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, gelijk de koningen, 283 10, 58| Ptolomaïs, gelijk de koningen, in grote heerlijkheid.~ 284 10, 63| oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad, 285 10, 65| krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.~ 286 10, 67| 67 En in het honderdenvijfenzestigste 287 10, 67| Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.~ 288 10, 69| krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, 289 10, 70| gij de meester tegen ons in de bergen?~ 290 10, 71| krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat 291 10, 72| de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.~ 292 10, 73| een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen 293 10, 74| hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor 294 10, 80| Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters.~ 295 10, 83| ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vloden 296 10, 83| naar Azote, en begaven zich in Beth-Dagon, hetwelk was 297 11, 2 | 2 En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, 298 11, 3 | 3 En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij 299 11, 3 | steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk tot 300 11, 4 | die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden 301 11, 4 | hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.~ 302 11, 14| Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de inwoners 303 11, 15| macht, en hij sloeg hem in de vlucht.~ 304 11, 18| daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden 305 11, 18| omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.~ 306 11, 19| En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste 307 11, 20| 20 In die dagen vergaderde Jonathan 308 11, 20| om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen 309 11, 23| priesters, en begaf zichzelf in het gevaar.~ 310 11, 26| geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid van al 311 11, 27| 27 En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, en 312 11, 27| het hogepriesterschap, en in alle andere zaken, waarmee 313 11, 33| Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke 314 11, 36| worden op de heilige berg in een bekwame en vermaarde 315 11, 37| ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar 316 11, 39| zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning 317 11, 40| burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen 318 11, 44| van de stad vergaderden in het midden van de stad, 319 11, 45| namen de toegangen der stad in, en begonnen hem te bestrijden.~ 320 11, 47| 47 En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend 321 11, 47| honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen op 322 11, 48| gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, 323 11, 50| koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij 324 11, 51| en het land was voor hem in stilte.~ 325 11, 56| zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en 326 11, 62| oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren, met veel 327 11, 63| liet zijn broeder Simon in het land.~ 328 11, 65| vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin.~ 329 11, 67| der vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden 330 11, 67| hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten 331 12, 3 | reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, 332 12, 4 | met vrede zouden geleiden in het land Juda.~ 333 12, 8 | en de brieven aangenomen, in welke verklaring werd gedaan 334 12, 9 | hebben de heilige boeken, die in onze handen zijn;~ 335 12, 11| 11 Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder 336 12, 11| andere gevoegelijke dagen, in de ófferanden die wij offeren, 337 12, 11| die wij offeren, en ook in onze gebeden, gelijk het 338 12, 14| bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen 339 12, 21| 21 Daar is in de schriften gevonden, aangaande 340 12, 25| Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want 341 12, 25| hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen.~ 342 12, 26| En hij zond verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd 343 12, 27| hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich 344 12, 28| en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken 345 12, 28| verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.~ 346 12, 33| heen naar Joppe, en nam het in.~ 347 12, 34| stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.~ 348 12, 35| raad, om sterkten te bouwen in Judea;~ 349 12, 38| 38 En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren 350 12, 39| 39 En Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, 351 12, 47| hij tweeduizend liet gaan in Galilea, en duizend trokken 352 12, 52| 52 En zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden 353 13, 5 | ik mijn ziel zou sparen in enige tijd der verdrukking, 354 13, 8 | Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, 355 13, 12| Ptolomaïs, om met grote macht in het land van Juda te komen; 356 13, 12| en Jonathan was bij hem in bewaring.~ 357 13, 13| 13 Simon nu legerde zich in Adidis, tegenover het vlakke 358 13, 14| dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broeder 359 13, 20| na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om 360 13, 20| verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en 361 13, 20| leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij 362 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden gezanten 363 13, 22| daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd, 364 13, 32| 32 En regeerde als koning in zijn plaats; en zette op 365 13, 33| grendels; en bestelde proviand in de sterkten.~ 366 13, 41| 41 In het honderdenzeventigste 367 13, 42| Israël begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: 368 13, 42| handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon 369 13, 43| 43 In die dagen bracht Simon zijn 370 13, 43| daarmee een toren, en nam hem in.~ 371 13, 44| 44 En die in deze stormtoren waren sprongen 372 13, 44| stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde 373 13, 44| geschiedde een grote beroerte in de stad.~ 374 13, 47| afgoden waren, en zo trok hij in de stad, Gode lofzingende 375 13, 49| werden verhinderd uit en in te gaan in het land, te 376 13, 49| verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen en te 377 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met 378 13, 54| krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.~ ~ 379 14, 1 | 1 In het honderdtweeënzeventigste 380 14, 2 | Medië, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, 381 14, 3 | Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~ 382 14, 4 | 4 Het land was in rust al de dagen van Simon, 383 14, 11| 11 Hij maakte vrede in het land en Israël verheugde 384 14, 13| hen bestreden hielden op in het land, en de koningen 385 14, 13| koningen waren vermorzeld in die dagen.~ 386 14, 17| dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester 387 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, om de vriendschap 388 14, 22| hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: 389 14, 23| afschrift van hun rede stellen in de boeken, voor ons volk 390 14, 26| besteld; en zij schreven dit in koperen platen, en stelden 391 14, 27| achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste 392 14, 28| 28 In Sarameli, in de grote vergadering 393 14, 28| 28 In Sarameli, in de grote vergadering der 394 14, 28| bekend geworden, dewijl in het land dikwijls oorlogen 395 14, 29| zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de vijanden 396 14, 31| 31 Als hun vijanden in hun land wilden invallen, 397 14, 34| de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, 398 14, 36| 36 Zodat in zijn tijd alles voorspoedig 399 14, 36| land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren te 400 14, 37| 37 En in deze burcht stelde Simon 401 14, 38| hem het hogepriesterambt in alles;~ 402 14, 41| en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar 403 14, 42| gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst 404 14, 43| en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden 405 14, 44| gezegd, of enige vergadering in het land te vergaderen zonder 406 14, 48| schrift zou worden gesteld in koperen platen, en dat men 407 14, 48| en dat men die zou zetten in de omgang van het heiligdom, 408 14, 48| omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats.~ 409 14, 49| afschrift gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon 410 15, 4 | 4 En ik wil in het land komen, opdat ik 411 15, 4 | verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest 412 15, 9 | heerlijkheid openbaar zal worden in alle landen.~ 413 15, 10| 10 In het honderdvierenzeventigste 414 15, 14| liet niemand daar uit of in trekken.~ 415 15, 15| koningen en aan de landen, in welke deze dingen geschreven 416 15, 23| 23 En in alle landen, aan Sampsames, 417 15, 25| Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins 418 15, 25| Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.~ 419 15, 29| vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk.~ 420 15, 31| 31 Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd 421 15, 37| 37 Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar 422 15, 40| begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het 423 15, 40| volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen 424 16, 3 | geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot 425 16, 3 | barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, 426 16, 7 | volk, en stelde de ruiters in het midden van het voetvolk, 427 16, 10| 10 En zij vluchtten tot in de torens, die in het land 428 16, 10| vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren; 429 16, 10| hij stak de stad met vuur in brand, en van dezen vielen 430 16, 14| zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste 431 16, 14| honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is 432 16, 15| ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd 433 16, 16| nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden 434 16, 20| zond anderen om Jeruzalem in te nemen, en de berg van 435 16, 24| Ziet, deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License