Chapter, Verse
1 1, 1 | Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde,
2 1, 4 | 4 En zijn hart werd zeer verhoogd
3 1, 7 | 7 Riep hij zijn dienaars, de edelsten, die
4 1, 7 | opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl hij
5 1, 8 | twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars regeerden een ieder
6 1, 8 | dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.~
7 1, 12| heidenen, die rondom ons zijn.~
8 1, 13| dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden
9 1, 17| over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.~
10 1, 19| en Ptolomeüs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte.~
11 1, 24| genomen hebbende trok hij naar zijn land.~
12 1, 38| een boos beschuldiger te zijn.~
13 1, 44| En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat zij
14 1, 44| allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten
15 1, 44| volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.~
16 1, 46| hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden
17 1, 47| brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en
18 1, 54| heeft hij geschreven aan zijn ganse koninkrijk, en heeft
19 1, 66| 66 Doch velen in Israël zijn versterkt geworden, vast
20 1, 67| heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven.~
21 2, 1 | Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.~
22 2, 9 | 9 De heerlijke vaten zijn genomen en weggevoerd; de
23 2, 9 | weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood in haar straten,
24 2, 12| schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen
25 2, 14| 14 En Mattathias en zijn zonen scheurden hun klederen,
26 2, 16| tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.~
27 2, 18| in Jeruzalem overgelaten zijn, en gij zult, alsook uw
28 2, 18| van des konings vrienden zijn, en gij en uw zonen zullen
29 2, 19| en koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat
30 2, 19| godsdienst zijner vaderen, en zijn geboden aannam;~
31 2, 21| De Here wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de
32 2, 24| zag dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak
33 2, 28| 28 En hij en zijn zonen vloden naar de bergen,
34 2, 39| 39 En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande,
35 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste: Indien wij allen
36 2, 41| broeders in de holen gestorven zijn.~
37 2, 45| 45 En Mattathias en zijn vrienden trokken rondom
38 2, 49| zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed
39 2, 57| 57 David, in zijn barmhartigheid, heeft de
40 2, 59| als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.~
41 2, 60| 60 Daniël is in zijn eenvoudigheid gerukt uit
42 2, 62| des zondigen mans, want zijn heerlijkheid zal tot drek
43 2, 63| wederkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen vergaan.~
44 2, 65| hij zal u tot een vader zijn.~
45 2, 66| is sterk van kracht, van zijn jonkheid aan, deze zal uw
46 2, 69| zegende hen, en werd bij zijn vaderen gesteld.~
47 2, 70| honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de
48 3, 1 | genoemd werd Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;~
49 3, 1 | zijn zoon, stond op in zijn plaats;~
50 3, 2 | 2 En hem hielpen al zijn broeders, en allen die zijn
51 3, 2 | zijn broeders, en allen die zijn vader aangehangen hadden,
52 3, 3 | volks verbreid; en hij deed zijn pantser aan als een reus;
53 3, 3 | als een reus; en gordde zijn krijgswapenen aan, leverde
54 3, 3 | leverde vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende.~
55 3, 4 | 4 Hij is in zijn werken een leeuw gelijk
56 3, 6 | welging met de behoudenis door zijn hand.~
57 3, 7 | en hij verheugde Jakob in zijn werken, en zijn gedachtenis
58 3, 7 | Jakob in zijn werken, en zijn gedachtenis is in zegening
59 3, 9 | 9 Zijn naam werd verbreid tot het
60 3, 11| gedood, en vele gewonden zijn gevallen, en de overigen
61 3, 11| gevallen, en de overigen zijn gevloden.~
62 3, 12| en hij streed daarmee al zijn dagen.~
63 3, 14| bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord des konings
64 3, 17| zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk
65 3, 17| menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten
66 3, 23| op hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem vermorzeld.~
67 3, 24| het veld toe, en van hen zijn gevallen omtrent achthonderd
68 3, 24| achthonderd mannen, en de overigen zijn gevloden naar het land der
69 3, 25| En de vrees voor Judas en zijn broederen en een verschrikking
70 3, 26| 26 Zijn naam kwam tot de koning
71 3, 27| woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer toornig, en
72 3, 27| al de krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk
73 3, 28| 28 En hij opende zijn schatkamer, en gaf zijn
74 3, 28| zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen
75 3, 28| hun dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden.~
76 3, 29| hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat
77 3, 31| 31 Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig
78 3, 33| 33 En om zijn zoon Antiochus op te voeden,
79 3, 34| gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de olifanten;
80 3, 37| vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het
81 3, 41| goud, en dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen, om
82 3, 42| 42 Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden
83 3, 42| zo zeide een ieder tot zijn naaste:~
84 3, 44| kwam bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om te
85 3, 46| 46 Zo zijn zij vergaderd en gekomen
86 3, 51| ontheiligd en uw priesters zijn in rouw en vernedering.~
87 3, 52| 52 En zie, de heidenen zijn tegen ons vergaderd om ons
88 3, 56| dezer zou wederkeren naar zijn huis, volgens de wet.~
89 3, 58| heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen
90 3, 60| van God in de hemel zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~
91 4, 2 | mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.~
92 4, 3 | horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan de
93 4, 4 | 4 Terwijl zijn krijgsvolk nog verstrooid
94 4, 9 | Gedenkt hoe onze vaderen zijn behouden in de Rode zee
95 4, 10| dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond
96 4, 16| 16 En Judas en zijn krijgsvolk keerden weder
97 4, 17| niet, want onze bestrijders zijn nog tegen ons;~
98 4, 18| 18 Gorgias en zijn krijgsvolk is op de berg
99 4, 22| 22 Zo zijn allen gevloden naar het
100 4, 24| want dat is goed, dewijl zijn barmhartigheid duurt in
101 4, 30| de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
102 4, 35| nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid
103 4, 35| nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd
104 4, 36| 36 Judas en zijn broeders zeiden: Ziet onze
105 4, 36| zeiden: Ziet onze vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan
106 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering
107 5, 7 | en vermorzelde hen voor zijn aangezicht, en sloeg hen.~
108 5, 10| zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:~
109 5, 11| heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen
110 5, 11| heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd,
111 5, 11| sterkte, waarin wij gevloden zijn, en Timotheüs voert hun
112 5, 13| plaatsen van Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun
113 5, 17| En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen,
114 5, 17| verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder
115 5, 19| wij zullen wedergekeerd zijn.~
116 5, 21| vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, en hij vervolgde
117 5, 24| Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de
118 5, 27| 27 En dat zijn ook in al die overige steden
119 5, 28| Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn
120 5, 31| zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~
121 5, 34| was, en zij vloden voor zijn aangezicht; en hij sloeg
122 5, 38| de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd,
123 5, 38| volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, een zeer
124 5, 39| opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om
125 5, 40| zeide tot de oversten van zijn krijgsvolk, toen Judas naderde,
126 5, 40| toen Judas naderde, en zijn leger bij de beek des waters:
127 5, 40| want hij zal veel machtiger zijn dan wij.~
128 5, 41| indien hij zal vrezen, en zijn leger opslaan over de rivier,
129 5, 41| wij zullen hem te machtig zijn.~
130 5, 43| beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna.
131 5, 43| heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen
132 5, 51| nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.~
133 5, 55| Galaäd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover
134 5, 57| heidenen, die rondom ons zijn.~
135 5, 58| bevel gegeven hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.~
136 5, 59| 59 En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad
137 5, 61| niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende dat zij
138 5, 63| 63 En Judas en zijn broeders zijn zeer verheerlijkt
139 5, 63| En Judas en zijn broeders zijn zeer verheerlijkt voor het
140 5, 65| 65 En Judas en zijn broeders trokken uit en
141 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan om te
142 6, 7 | hoge muren, en Bethsura, zijn stad.~
143 6, 10| 10 Waarom hij al zijn vrienden riep, en zeide
144 6, 14| hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde hem
145 6, 14| vrienden, en stelde hem over zijn ganse koninkrijk;~
146 6, 15| 15 En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en zijn
147 6, 15| zijn koninklijke hoed, en zijn koninklijk kleed, en zijn
148 6, 15| zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon
149 6, 15| en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus halen, en
150 6, 15| hem opvoeden om koning te zijn.~
151 6, 17| gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn
152 6, 17| zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke hij
153 6, 17| zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in zijn
154 6, 17| zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en
155 6, 17| opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.~
156 6, 23| geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden
157 6, 28| hoorde, en vergaderde al zijn vrienden, de oversten van
158 6, 28| vrienden, de oversten van zijn krijgsvolk, en die over
159 6, 30| 30 Zodat het getal van zijn krijgsvolk was honderdduizend
160 6, 42| 42 En Judas en zijn leger naderden om te slaan,
161 6, 44| 44 En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om
162 6, 48| Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de
163 6, 51| 51 En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom
164 6, 54| verstrooid, een ieder in zijn plaats.~
165 6, 55| nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden,
166 6, 55| voeden, totdat hij koning zou zijn,~
167 6, 59| die wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, en
168 7, 6 | koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden
169 7, 10| zond boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame woorden
170 7, 26| koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten, die
171 7, 27| en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende,
172 7, 28| Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen mij en ulieden. Ik
173 7, 30| verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.~
174 7, 31| En Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem
175 7, 35| zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd
176 7, 37| en dat het uw volk zou zijn een huis des gebeds en der
177 7, 38| over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door
178 7, 42| gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.~
179 7, 44| 44 Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood
180 7, 47| het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hovaardig
181 8, 7 | die na hem koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een
182 8, 20| 20 Judas Makkabeüs en zijn broeders en de menigte der
183 8, 22| Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes
184 8, 23| vijand moet ver van hen zijn.~
185 9, 1 | Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn krijgsvolk de oorlog gevoerd
186 9, 1 | met de rechtervleugel van zijn krijgsvolk.~
187 9, 7 | 7 Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat
188 9, 7 | oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij
189 9, 9 | weder, want onze broeders zijn weggelopen, en zouden wij
190 9, 9 | strijden, wij die zo weinig zijn?~
191 9, 22| zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden,
192 9, 29| tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.~
193 9, 30| uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste,
194 9, 30| onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste,
195 9, 31| stond op in de plaats van zijn broeder.~
196 9, 33| 33 En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen
197 9, 34| dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk over de Jordaan.~
198 9, 35| 35 En Jonathan zond zijn broeder, die overste was
199 9, 35| schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken,
200 9, 36| hij had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.~
201 9, 37| zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt,
202 9, 39| toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen
203 9, 47| aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te
204 9, 55| met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd,
205 9, 55| werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en
206 9, 55| meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven.~
207 9, 58| Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker,
208 9, 60| heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat
209 9, 63| vernam, zo vergaderde hij al zijn menigte, en ontbood ook
210 9, 65| 65 En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad,
211 9, 66| 66 Hij sloeg Odomer en zijn broeders, en de zonen van
212 9, 66| hij begon te slaan, en met zijn krijgsvolk op te trekken,~
213 9, 68| drukten hem gans zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.~
214 9, 71| vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem,
215 9, 71| te doen al de dagen van zijn leven.~
216 9, 72| wedergekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit
217 10, 5 | 5 Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen
218 10, 5 | gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en tegen zijn
219 10, 5 | zijn broeders, en tegen zijn volk.~
220 10, 6 | gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot in de wapenen
221 10, 6 | medegenoot in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op
222 10, 13| 13 En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn
223 10, 13| zijn plaats, en trok naar zijn land.~
224 10, 14| 14 Alleen in Bethsura zijn enigen overgebleven van
225 10, 15| daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid,
226 10, 18| De koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.~
227 10, 19| bekwaam zijt om onze vriend te zijn.~
228 10, 24| zij tot mijn hulp mogen zijn.~
229 10, 26| hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.~
230 10, 30| streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en
231 10, 33| uit het land Juda gevangen zijn in mijn ganse koninkrijk,
232 10, 34| Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en
233 10, 37| is; en die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit
234 10, 38| Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd
235 10, 38| gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht
236 10, 38| anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.~
237 10, 43| enige andere zaken, schuldig zijn, zullen losgelaten worden;
238 10, 45| van de muren, die in Judea zijn.~
239 10, 53| heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen
240 10, 53| verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;~
241 10, 53| gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;~
242 10, 54| en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken
243 10, 54| geven, die uwer waardig zijn.~
244 10, 57| trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra; en zij
245 10, 58| en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft
246 10, 62| gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken,
247 10, 63| 63 En zeide tot zijn oversten: Gaat uit met hem
248 10, 64| 64 En het geschiedde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid
249 10, 64| als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, gelijk
250 10, 65| hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en
251 10, 72| ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen
252 10, 72| vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.~
253 10, 74| zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend
254 10, 74| uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem,
255 10, 81| was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun
256 10, 82| 82 En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht
257 10, 83| afgod, om daar behouden te zijn.~
258 11, 1 | bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.~
259 11, 2 | tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was.~
260 11, 4 | ze tot hopen gemaakt in zijn weg.~
261 11, 9 | heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van
262 11, 11| maakte hem veracht, omdat hij zijn koninkrijk begeerde.~
263 11, 12| 12 En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar
264 11, 13| te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee koninklijke hoeden,
265 11, 16| hij daar mocht beschermd zijn. Doch de koning Ptolomeüs
266 11, 18| daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht
267 11, 26| tegenwoordigheid van al zijn vrienden.~
268 11, 27| hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden.~
269 11, 30| De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het
270 11, 32| Joden, die onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen
271 11, 33| land van Samarië gevoegd zijn bij Judea; en al hetgeen
272 11, 37| stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een
273 11, 37| laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde
274 11, 37| krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is
275 11, 39| vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat
276 11, 39| uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig
277 11, 48| hadden, gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen
278 11, 50| koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij keerden
279 11, 51| ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het land
280 11, 56| vrienden des konings zult zijn.~
281 11, 57| zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht
282 11, 58| 58 En hij stelde zijn broeder Simon tot een overste
283 11, 63| tegemoet getrokken; en liet zijn broeder Simon in het land.~
284 11, 66| Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth,
285 11, 70| En Jonathan verscheurde zijn klederen, en legde aarde
286 11, 70| klederen, en legde aarde op zijn hoofd, en bad God.~
287 12, 7 | Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester,
288 12, 9 | boeken, die in onze handen zijn;~
289 12, 11| de broederen gedachtig te zijn.~
290 12, 13| koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.~
291 12, 14| oorlogen niet willen lastig zijn.~
292 12, 15| ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze vijanden,
293 12, 15| vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.~
294 12, 21| Joden, dat zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het
295 12, 21| broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham.~
296 12, 25| gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen.~
297 12, 26| hij zond verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd
298 12, 27| waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot
299 12, 36| scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden
300 12, 39| koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning
301 12, 43| eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken,
302 12, 43| geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden
303 12, 43| zij hem zouden gehoorzamen zijn als hemzelf.~
304 12, 45| over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en
305 12, 51| dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.~
306 13, 4 | 4 Daarom zijn al mijn broeders omgekomen,
307 13, 6 | heidenen tezamen gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap
308 13, 14| opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan, en dat
309 13, 16| talenten zilver, en twee van zijn zonen tot gijzelaars, opdat,
310 13, 16| als hij losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle,
311 13, 18| niet gezonden heeft, zo is zijn broeder omgekomen.~
312 13, 20| te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora;
313 13, 20| naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen
314 13, 22| 22 Tryfon dan maakte al zijn ruiterij gereed, om daarheen
315 13, 24| keerde weder, en trok naar zijn land.~
316 13, 25| zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij
317 13, 27| bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn broeders,
318 13, 27| graf van zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw, en
319 13, 28| recht over de andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn
320 13, 28| andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broeders.~
321 13, 28| zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broeders.~
322 13, 32| En regeerde als koning in zijn plaats; en zette op de koninklijke
323 13, 37| hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken
324 13, 37| over de schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.~
325 13, 38| beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten, die gij
326 13, 38| gebouwd hebt, zullen uwe zijn.~
327 13, 40| En zo er enigen onder u zijn bekwaam om onder ons volk
328 13, 40| en laat tussen ons vrede zijn.~
329 13, 43| In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij
330 13, 51| 51 En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste
331 13, 54| 54 Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een
332 14, 1 | vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar
333 14, 2 | hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond
334 14, 2 | gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend te
335 14, 4 | hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn
336 14, 4 | welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid
337 14, 4 | zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam
338 14, 5 | 5 En hij kreeg, boven al zijn heerlijkheid, Joppe tot
339 14, 6 | 6 En hij verbreidde zijn volk hun landpalen, en bemachtigde
340 14, 8 | 8 Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land
341 14, 8 | met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen des velds
342 14, 10| haar te versterken, zodat zijn heerlijke naam genoemd werd
343 14, 12| 12 En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom,
344 14, 12| zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand
345 14, 16| dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden.~
346 14, 17| 17 En horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats
347 14, 17| Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester was
348 14, 18| hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.~
349 14, 21| gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald
350 14, 21| heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest over hun
351 14, 22| zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap,
352 14, 25| zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~
353 14, 26| 26 Want hij, en zijn broeders, en zijn vaders
354 14, 26| hij, en zijn broeders, en zijn vaders huis, hebben Israël
355 14, 28| het land dikwijls oorlogen zijn ontstaan:~
356 14, 29| de kinderen van Jarib, en zijn broeders, zichzelf hebben
357 14, 30| hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;~
358 14, 32| opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote
359 14, 32| maakte grote onkosten van zijn eigen geld, en bestelde
360 14, 32| mannen der krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~
361 14, 35| de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij
362 14, 35| gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat
363 14, 35| gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen.~
364 14, 36| 36 Zodat in zijn tijd alles voorspoedig is
365 14, 36| voorspoedig is geweest onder zijn handen, en dat de heidenen
366 14, 36| heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in de stad Davids
367 14, 39| En hij maakte hem een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte
368 14, 41| overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar
369 14, 42| hij hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen
370 14, 43| handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden,
371 14, 44| priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te
372 14, 45| hebben, die zal strafbaar zijn.~
373 14, 47| dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste
374 14, 49| schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen hebben.~ ~
375 15, 5 | koningen, die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken,
376 15, 7 | het heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die gij
377 15, 17| 17 De gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde
378 15, 21| hun landen tot u gevloden zijn, levert ze over aan Simon,
379 15, 25| de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende,
380 15, 28| hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met hem te
381 15, 30| grenzen, die buiten Judea zijn.~
382 15, 32| heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk,
383 15, 32| Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk,
384 15, 32| bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting,
385 16, 1 | van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon, wat Cendebeüs
386 16, 2 | 2 En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas
387 16, 6 | 6 Hij en zijn volk legerde zich recht
388 16, 8 | blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht
389 16, 13| 13 En zijn hart werd verhovaardigd,
390 16, 13| gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.~
391 16, 14| kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas,
392 16, 16| 16 En als Simon en zijn zonen wel gedronken hadden,
393 16, 16| maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enigen van
394 16, 16| twee zonen, en enigen van zijn knechten.~
395 16, 21| Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en
396 16, 21| vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden
397 16, 23| verder gedaan heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke
398 16, 23| heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke daden, die hij
399 16, 23| hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden,~
400 16, 24| 24 Ziet, deze zijn geschreven in de boeken
401 16, 24| boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, van de
402 16, 24| van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden.~
|