Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dezen 13
dezer 4
dicht 1
die 387
dienaars 2
dienen 1
dienst 3
Frequency    [«  »]
470 hij
435 in
402 zijn
387 die
378 zij
355 te
341 dat

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

die

    Chapter, Verse
1 1, 1 | Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog, 2 1, 7 | zijn dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met hem 3 1, 11| van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest 4 1, 12| Israël enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: 5 1, 12| oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.~ 6 1, 13| 13 Want van die dag af dat wij van hen gescheiden 7 1, 24| ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen 8 1, 28| bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat 9 1, 29| land beefde over degenen die het bewoonden, en het ganse 10 1, 36| een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en 11 1, 37| bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot 12 1, 41| vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en 13 1, 53| naar dit woord des konings, die zou moeten sterven.~ 14 1, 56| vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden 15 1, 60| verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat zij ze 16 1, 61| iemand de wet toestond, die doodden zij naar het bevel 17 1, 62| Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand 18 1, 64| 64 En de vrouwen, die haar kinderen lieten besnijden, 19 1, 65| huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.~ 20 2, 1 | 1 In die dagen stond op Mattathias, 21 2, 2 | had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis,~ 22 2, 3 | 3 Simon, die genaamd was Thassi,~ 23 2, 4 | 4 Judas, die genaamd was Makkabeüs,~ 24 2, 5 | 5 Eleazar, die genaamd was Auäran, en Jonathan, 25 2, 5 | was Auäran, en Jonathan, die genaamd was Sapfus.~ 26 2, 6 | zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem geschiedden,~ 27 2, 8 | is geworden als een man die ongeëerd is.~ 28 2, 15| wege, in de stad Modin, die de lieden dwongen af te 29 2, 17| 17 En die van des konings wege daar 30 2, 18| en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten 31 2, 19| ware het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk 32 2, 25| 25 En de man des konings, die de lieden dwong te offeren, 33 2, 27| stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het 34 2, 27| en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.~ 35 2, 29| 29 Toen gingen velen, die de gerechtigheid en het 36 2, 31| konings, en de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad 37 2, 31| geboodschapt dat er mannen, die het gebod des konings hadden 38 2, 41| zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig 39 2, 42| vergadering der Asideeën, die sterk van macht waren, en 40 2, 42| en van Israël een ieder die gewillig de wet hield.~ 41 2, 43| 43 En allen die deze rampen ontvloden waren, 42 2, 46| kracht al de kinderkens die onbesneden waren, zo velen 43 2, 48| der overwinning niet aan die zondaar.~ 44 2, 61| geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen 45 2, 67| zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult de 46 3, 1 | 1 En Judas, die genoemd werd Makkabeüs, 47 3, 2 | zijn broeders, en allen die zijn vader aangehangen hadden, 48 3, 4 | en als een jonge leeuw, die ter jacht loopt.~ 49 3, 5 | en verbrandde degenen, die het volk beroerden;~ 50 3, 9 | hij vergaderde degenen, die verloren gingen.~ 51 3, 13| bij zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, 52 3, 14| zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het 53 3, 14| en die met hem zijn, en die het woord des konings verachten.~ 54 3, 17| tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen 55 3, 17| een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag 56 3, 25| te vallen op de volken, die rondom hen waren.~ 57 3, 29| ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen 58 3, 29| de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; 59 3, 29| waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest 60 3, 30| de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde 61 3, 31| Perzië, en de schattingen van die landen te ontvangen, en 62 3, 35| en om hun gedachtenis van die plaats weg te nemen.~ 63 3, 37| helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok 64 3, 41| 41 En de kooplieden van die landstreek van hun naam 65 3, 45| daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging 66 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden zakken aan, 67 3, 49| verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~ 68 3, 56| zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst 69 3, 56| die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd 70 3, 56| wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een 71 3, 58| vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, 72 4, 3 | krijgsmacht des konings, die in Emmaüs was;~ 73 4, 7 | welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren 74 4, 8 | zeide Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun 75 4, 11| verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt.~ 76 4, 13| leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen 77 4, 20| gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde 78 4, 25| 25 En op die dag is Israël een grote 79 4, 30| behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige 80 4, 33| door het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen, 81 4, 33| liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven 82 4, 35| stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid 83 4, 41| bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat 84 4, 42| onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.~ 85 4, 51| volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.~ 86 4, 55| dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.~ 87 4, 60| 60 En zij bouwden in die tijd rondom op de berg Sion 88 5, 2 | Jakob te verdelgen; allen die in het midden van hen waren, 89 5, 4 | van de kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot 90 5, 5 | torens met vuur, met allen die daarin waren.~ 91 5, 9 | 9 En de heidenen die in Galaäd waren, vergaderden 92 5, 9 | zamen tegen de Israëlieten, die in hun landpalen waren, 93 5, 11| 11 De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen 94 5, 13| 13 En al onze broeders, die in de plaatsen van Toubin 95 5, 16| doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, 96 5, 16| de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.~ 97 5, 17| uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch 98 5, 23| 23 Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die 99 5, 23| die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen 100 5, 25| ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, 101 5, 27| 27 En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis 102 5, 27| legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen 103 5, 34| nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man.~ 104 5, 38| zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij 105 5, 43| 43 En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, 106 5, 44| het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad 107 5, 45| vergaderde al de Israëlieten, die in Galaäditis waren, van 108 5, 47| 47 Zo sloten die van de stad hen buiten,~ 109 5, 51| zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele 110 5, 55| 55 En in die dagen toen Judas en Jonathan 111 5, 56| mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en 112 5, 57| beoorlogen de heidenen, die rondom ons zijn.~ 113 5, 60| Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls 114 5, 62| waren niet van het zaad van die mannen, door welker hand 115 5, 67| 67 En die dag vielen de priesters 116 6, 2 | 2 En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; 117 6, 2 | pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, 118 6, 2 | de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd 119 6, 3 | deze zaak de lieden van die stad bekend werd.~ 120 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, 121 6, 5 | in Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken 122 6, 6 | krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de 123 6, 6 | bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden;~ 124 6, 7 | verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden 125 6, 12| gouden en zilveren vaten, die daarin waren, genomen heb, 126 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten 127 6, 20| 20 Die, tezamen vergaderd zijnde, 128 6, 21| 21 En enige van die besloten waren kwamen uit, 129 6, 24| ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden 130 6, 24| ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen 131 6, 28| van zijn krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.~ 132 6, 31| instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en 133 6, 31| vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.~ 134 6, 35| pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen op hun hoofden 135 6, 37| houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, 136 6, 37| vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.~ 137 6, 41| zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, 138 6, 48| 48 En die van des konings leger waren, 139 6, 49| maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij 140 6, 53| het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen 141 6, 55| Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen 142 6, 56| krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, 143 6, 57| zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, 144 6, 59| Want om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn 145 6, 62| plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood 146 6, 63| hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en 147 7, 2 | Antiochus en Lysias greep, om die tot hem te brengen.~ 148 7, 7 | 7 Zend dan nu een man, die gij vertrouwt, die daar 149 7, 7 | man, die gij vertrouwt, die daar heenreizende, beziet 150 7, 7 | beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, 151 7, 7 | en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.~ 152 7, 8 | een vriend des konings, die regeerde aan gene zijde 153 7, 14| Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit het 154 7, 14| gekomen met het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.~ 155 7, 16| een dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:~ 156 7, 17| Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.~ 157 7, 18| hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.~ 158 7, 19| greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, 159 7, 22| hem werden vergaderd allen die hun volk ontroerden, en 160 7, 23| hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren 161 7, 23| boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen 162 7, 24| wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij 163 7, 25| Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste 164 7, 26| zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig 165 7, 41| 41 Eertijds als degenen die door de koning Sanherib 166 7, 43| hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel.~ 167 7, 47| Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hovaardig had uitgestrekt, 168 7, 48| verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote 169 7, 49| 49 En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden 170 8, 1 | maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij 171 8, 2 | oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen 172 8, 4 | 4 En de koningen, die van het uiterste der aarde 173 8, 5 | koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren 174 8, 6 | Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was 175 8, 6 | veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.~ 176 8, 7 | gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, 177 8, 8 | schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, 178 8, 9 | 9 En als die van Griekenland in hun raad 179 8, 11| koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden, 180 8, 12| zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, 181 8, 12| zij zo alle koninkrijken, die nabij, en die verre waren, 182 8, 12| koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd 183 8, 12| bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen 184 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden helpen en laten 185 8, 13| helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, 186 8, 13| regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en 187 8, 24| tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap der wapenen 188 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, 189 8, 28| 28 En die met hen strijden zal niets 190 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden 191 9, 9 | tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?~ 192 9, 11| verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen 193 9, 12| slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, en 194 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen 195 9, 14| rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden 196 9, 16| 16 En die in de linkervleugel waren, 197 9, 21| is de machtige gevallen, die Israël verloste?~ 198 9, 22| oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de 199 9, 23| tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten, 200 9, 24| 24 In die dagen werd daar een zeer 201 9, 26| brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.~ 202 9, 29| Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.~ 203 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid des tijds, het 204 9, 33| broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, 205 9, 35| Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, 206 9, 35| verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten 207 9, 37| met grote staat de bruid, die een dochter was van een 208 9, 44| Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons 209 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen 210 9, 49| zijde van Bacchides vielen die dag omtrent duizend man, 211 9, 58| zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, 212 9, 60| Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, 213 9, 61| van de mannen des lands, die bewerkers waren van deze 214 9, 62| En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken 215 9, 63| menigte, en ontbood ook die in Judea waren.~ 216 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen 217 9, 69| over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat 218 9, 72| hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land 219 10, 6 | zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood 220 10, 7 | het volk, en van degenen, die op de burcht waren.~ 221 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven 222 10, 12| 12 En de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die 223 10, 12| die in de sterkte waren, die Bacchides had gebouwd, vloden;~ 224 10, 14| overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten 225 10, 15| koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden 226 10, 15| oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders, 227 10, 15| broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.~ 228 10, 17| aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~ 229 10, 30| helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, 230 10, 30| af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda, 231 10, 30| van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd 232 10, 30| Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van 233 10, 32| Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat 234 10, 32| hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.~ 235 10, 33| En alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen 236 10, 34| dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen 237 10, 37| trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun 238 10, 38| aangaande de drie streken, die van het land van Samarië 239 10, 39| Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten 240 10, 40| konings uit de plaatsen die hem toebehoren.~ 241 10, 42| vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, 242 10, 42| rekeningen des heiligdoms, die worden ook kwijtgescholden, 243 10, 42| de priesters toebehoren, die de dienst doen.~ 244 10, 43| 43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem 245 10, 43| Jeruzalem zullen vluchten, en die in al de landpalen daarvan 246 10, 45| het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.~ 247 10, 47| zij hielden het met hem al die tijd.~ 248 10, 50| toe, zo viel Demetrius op die dag.~ 249 10, 51| koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:~ 250 10, 54| en haar geschenken geven, die uwer waardig zijn.~ 251 10, 69| Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, 252 10, 72| en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen 253 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende, deden 254 10, 84| tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met 255 10, 85| 85 En die met het zwaard waren omgebracht, 256 10, 85| zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot 257 10, 86| legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem 258 10, 87| naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende 259 11, 2 | met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem 260 11, 4 | en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in 261 11, 9 | zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij 262 11, 14| koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de 263 11, 18| dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, 264 11, 18| omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.~ 265 11, 18| omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.~ 266 11, 20| 20 In die dagen vergaderde Jonathan 267 11, 20| dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht 268 11, 21| 21 En sommigen, die hun eigen volk haatten, 269 11, 21| eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden 270 11, 26| gedaan hadden de koningen, die voor hem waren geweest, 271 11, 31| afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan 272 11, 32| aan het volk der Joden, die onze vrienden zijn, en die 273 11, 32| die onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht 274 11, 33| behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en 275 11, 33| van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks 276 11, 34| al de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden 277 11, 34| tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen, 278 11, 34| zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze 279 11, 38| zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders 280 11, 38| naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon 281 11, 40| Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem 282 11, 42| dat gij mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat 283 11, 43| kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en 284 11, 44| 44 En die van de stad vergaderden 285 11, 45| het koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen 286 11, 47| zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, 287 11, 47| brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten 288 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat de 289 11, 50| de koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij 290 11, 52| hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar 291 11, 54| vergaderden al de krijgsknechten, die Demetrius afgedankt had, 292 11, 54| Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij 293 11, 59| hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer 294 11, 60| vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde, 295 11, 61| 61 En die van Gaza baden Jonathan, 296 11, 69| 69 En allen die bij Jonathan waren, namen 297 11, 69| Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk 298 11, 72| Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren, 299 11, 73| vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man, 300 12, 5 | afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft 301 12, 7 | hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, 302 12, 8 | 8 En daar Onias de man, die daarmee gezonden was, zeer 303 12, 9 | niet van node hebben, als die tot onze troost hebben de 304 12, 9 | hebben de heilige boeken, die in onze handen zijn;~ 305 12, 10| broederschap en vriendschap, die wij met u hebben, weder 306 12, 11| dagen, in de ófferanden die wij offeren, en ook in onze 307 12, 13| ons, en al de koningen, die rondom ons zijn, doen ons 308 12, 15| hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij 309 12, 19| het afschrift der brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;~ 310 12, 26| verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd zijnde, boodschapten 311 12, 27| gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, 312 12, 28| hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd 313 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het 314 12, 34| sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, 315 12, 36| de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, 316 12, 37| bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij 317 12, 45| uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom 318 12, 45| Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, 319 12, 45| krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld 320 12, 48| Ptolomaïs was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten 321 12, 48| doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~ 322 12, 49| om te verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.~ 323 12, 50| gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden 324 12, 51| 51 En degenen, die hen vervolgden, ziende dat 325 12, 52| en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en 326 12, 53| 53 Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten 327 13, 3 | oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben.~ 328 13, 11| verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef 329 13, 15| schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.~ 330 13, 18| 18 Die zeggen zouden: Omdat hij 331 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden 332 13, 22| daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd, 333 13, 29| gezien te worden door allen, die op de zee varen.~ 334 13, 34| Simon verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning 335 13, 37| het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben 336 13, 37| te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld 337 13, 38| vast zijn, en de sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen 338 13, 39| heden, en de kroongelden die gij schuldig zijt; en zo 339 13, 43| 43 In die dagen bracht Simon zijn 340 13, 43| een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee 341 13, 44| 44 En die in deze stormtoren waren 342 13, 45| 45 En die van de stad kwamen op de 343 13, 48| daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en 344 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem 345 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met verheuging 346 13, 53| versterkte de berg des tempels, die bij de burcht was, en hij 347 14, 3 | bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~ 348 14, 7 | weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde.~ 349 14, 12| vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.~ 350 14, 13| 13 Want die hen bestreden hielden op 351 14, 13| koningen waren vermorzeld in die dagen.~ 352 14, 17| bemachtigd had, en de steden die daarin waren;~ 353 14, 18| hem weder te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas 354 14, 19| het afschrift der brieven, die de Spartiaten zonden:~ 355 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, 356 14, 22| gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~ 357 14, 23| ons volk behaagd, dat men die mannen eerlijk zou ontvangen, 358 14, 35| Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, 359 14, 35| gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, 360 14, 36| land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren 361 14, 36| Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden 362 14, 42| hem gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst 363 14, 42| hem gesteld zouden worden die over het land en over de 364 14, 45| zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.~ 365 14, 48| koperen platen, en dat men die zou zetten in de omgang 366 15, 4 | komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele 367 15, 5 | bevestig u al de vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de 368 15, 5 | vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en 369 15, 5 | al de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.~ 370 15, 7 | zijn, en al de wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten, 371 15, 7 | bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd en die gij nu 372 15, 7 | sterkten, die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen 373 15, 7 | gebouwd en die gij nu hebt, die zullen uwe blijven.~ 374 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van 375 15, 19| wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.~ 376 15, 30| geeft weder over de steden, die gij ingenomen hebt, en de 377 15, 30| tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd hebt op 378 15, 30| vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn.~ 379 15, 31| niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, 380 15, 33| maar de erve onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk 381 15, 35| aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder 382 15, 35| en Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een 383 16, 10| vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren; 384 16, 16| stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen 385 16, 22| en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om 386 16, 23| en zijn mannelijke daden, die hij mannelijk uitgericht 387 16, 23| het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd heeft, en


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License