Chapter, Verse
1 1, 1 | Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog,
2 1, 7 | zijn dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met hem
3 1, 11| van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest
4 1, 12| Israël enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende:
5 1, 12| oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.~
6 1, 13| 13 Want van die dag af dat wij van hen gescheiden
7 1, 24| ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen
8 1, 28| bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat
9 1, 29| land beefde over degenen die het bewoonden, en het ganse
10 1, 36| een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en
11 1, 37| bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot
12 1, 41| vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en
13 1, 53| naar dit woord des konings, die zou moeten sterven.~
14 1, 56| vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden
15 1, 60| verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat zij ze
16 1, 61| iemand de wet toestond, die doodden zij naar het bevel
17 1, 62| Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand
18 1, 64| 64 En de vrouwen, die haar kinderen lieten besnijden,
19 1, 65| huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.~
20 2, 1 | 1 In die dagen stond op Mattathias,
21 2, 2 | had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis,~
22 2, 3 | 3 Simon, die genaamd was Thassi,~
23 2, 4 | 4 Judas, die genaamd was Makkabeüs,~
24 2, 5 | 5 Eleazar, die genaamd was Auäran, en Jonathan,
25 2, 5 | was Auäran, en Jonathan, die genaamd was Sapfus.~
26 2, 6 | zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem geschiedden,~
27 2, 8 | is geworden als een man die ongeëerd is.~
28 2, 15| wege, in de stad Modin, die de lieden dwongen af te
29 2, 17| 17 En die van des konings wege daar
30 2, 18| en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten
31 2, 19| ware het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk
32 2, 25| 25 En de man des konings, die de lieden dwong te offeren,
33 2, 27| stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het
34 2, 27| en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.~
35 2, 29| 29 Toen gingen velen, die de gerechtigheid en het
36 2, 31| konings, en de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad
37 2, 31| geboodschapt dat er mannen, die het gebod des konings hadden
38 2, 41| zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig
39 2, 42| vergadering der Asideeën, die sterk van macht waren, en
40 2, 42| en van Israël een ieder die gewillig de wet hield.~
41 2, 43| 43 En allen die deze rampen ontvloden waren,
42 2, 46| kracht al de kinderkens die onbesneden waren, zo velen
43 2, 48| der overwinning niet aan die zondaar.~
44 2, 61| geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen
45 2, 67| zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult de
46 3, 1 | 1 En Judas, die genoemd werd Makkabeüs,
47 3, 2 | zijn broeders, en allen die zijn vader aangehangen hadden,
48 3, 4 | en als een jonge leeuw, die ter jacht loopt.~
49 3, 5 | en verbrandde degenen, die het volk beroerden;~
50 3, 9 | hij vergaderde degenen, die verloren gingen.~
51 3, 13| bij zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken,
52 3, 14| zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het
53 3, 14| en die met hem zijn, en die het woord des konings verachten.~
54 3, 17| tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen
55 3, 17| een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag
56 3, 25| te vallen op de volken, die rondom hen waren.~
57 3, 29| ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen
58 3, 29| de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht;
59 3, 29| waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest
60 3, 30| de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde
61 3, 31| Perzië, en de schattingen van die landen te ontvangen, en
62 3, 35| en om hun gedachtenis van die plaats weg te nemen.~
63 3, 37| helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok
64 3, 41| 41 En de kooplieden van die landstreek van hun naam
65 3, 45| daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging
66 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden zakken aan,
67 3, 49| verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~
68 3, 56| zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst
69 3, 56| die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd
70 3, 56| wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een
71 3, 58| vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen ons,
72 4, 3 | krijgsmacht des konings, die in Emmaüs was;~
73 4, 7 | welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren
74 4, 8 | zeide Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun
75 4, 11| verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt.~
76 4, 13| leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen
77 4, 20| gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde
78 4, 25| 25 En op die dag is Israël een grote
79 4, 30| behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige
80 4, 33| door het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen,
81 4, 33| liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven
82 4, 35| stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid
83 4, 41| bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat
84 4, 42| onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.~
85 4, 51| volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.~
86 4, 55| dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.~
87 4, 60| 60 En zij bouwden in die tijd rondom op de berg Sion
88 5, 2 | Jakob te verdelgen; allen die in het midden van hen waren,
89 5, 4 | van de kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot
90 5, 5 | torens met vuur, met allen die daarin waren.~
91 5, 9 | 9 En de heidenen die in Galaäd waren, vergaderden
92 5, 9 | zamen tegen de Israëlieten, die in hun landpalen waren,
93 5, 11| 11 De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen
94 5, 13| 13 En al onze broeders, die in de plaatsen van Toubin
95 5, 16| doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren,
96 5, 16| de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.~
97 5, 17| uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch
98 5, 23| 23 Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die
99 5, 23| die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen
100 5, 25| ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden,
101 5, 27| 27 En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis
102 5, 27| legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen
103 5, 34| nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man.~
104 5, 38| zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij
105 5, 43| 43 En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok,
106 5, 44| het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad
107 5, 45| vergaderde al de Israëlieten, die in Galaäditis waren, van
108 5, 47| 47 Zo sloten die van de stad hen buiten,~
109 5, 51| zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele
110 5, 55| 55 En in die dagen toen Judas en Jonathan
111 5, 56| mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en
112 5, 57| beoorlogen de heidenen, die rondom ons zijn.~
113 5, 60| Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls
114 5, 62| waren niet van het zaad van die mannen, door welker hand
115 5, 67| 67 En die dag vielen de priesters
116 6, 2 | 2 En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was;
117 6, 2 | pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus,
118 6, 2 | de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd
119 6, 3 | deze zaak de lieden van die stad bekend werd.~
120 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië,
121 6, 5 | in Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken
122 6, 6 | krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de
123 6, 6 | bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden;~
124 6, 7 | verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden
125 6, 12| gouden en zilveren vaten, die daarin waren, genomen heb,
126 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten
127 6, 20| 20 Die, tezamen vergaderd zijnde,
128 6, 21| 21 En enige van die besloten waren kwamen uit,
129 6, 24| ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden
130 6, 24| ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen
131 6, 28| van zijn krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.~
132 6, 31| instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en
133 6, 31| vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.~
134 6, 35| pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen op hun hoofden
135 6, 37| houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten,
136 6, 37| vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.~
137 6, 41| zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte,
138 6, 48| 48 En die van des konings leger waren,
139 6, 49| maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij
140 6, 53| het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen
141 6, 55| Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen
142 6, 56| krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren,
143 6, 57| zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk,
144 6, 59| Want om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn
145 6, 62| plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood
146 6, 63| hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en
147 7, 2 | Antiochus en Lysias greep, om die tot hem te brengen.~
148 7, 7 | 7 Zend dan nu een man, die gij vertrouwt, die daar
149 7, 7 | man, die gij vertrouwt, die daar heenreizende, beziet
150 7, 7 | beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft,
151 7, 7 | en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.~
152 7, 8 | een vriend des konings, die regeerde aan gene zijde
153 7, 14| Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit het
154 7, 14| gekomen met het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.~
155 7, 16| een dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:~
156 7, 17| Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.~
157 7, 18| hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.~
158 7, 19| greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren,
159 7, 22| hem werden vergaderd allen die hun volk ontroerden, en
160 7, 23| hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren
161 7, 23| boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen
162 7, 24| wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij
163 7, 25| Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste
164 7, 26| zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig
165 7, 41| 41 Eertijds als degenen die door de koning Sanherib
166 7, 43| hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel.~
167 7, 47| Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hovaardig had uitgestrekt,
168 7, 48| verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote
169 7, 49| 49 En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden
170 8, 1 | maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij
171 8, 2 | oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen
172 8, 4 | 4 En de koningen, die van het uiterste der aarde
173 8, 5 | koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren
174 8, 6 | Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was
175 8, 6 | veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.~
176 8, 7 | gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn,
177 8, 8 | schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende,
178 8, 9 | 9 En als die van Griekenland in hun raad
179 8, 11| koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden,
180 8, 12| zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren,
181 8, 12| zij zo alle koninkrijken, die nabij, en die verre waren,
182 8, 12| koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd
183 8, 12| bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen
184 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden helpen en laten
185 8, 13| helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen,
186 8, 13| regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en
187 8, 24| tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap der wapenen
188 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand,
189 8, 28| 28 En die met hen strijden zal niets
190 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden
191 9, 9 | tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?~
192 9, 11| verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen
193 9, 12| slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, en
194 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen
195 9, 14| rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden
196 9, 16| 16 En die in de linkervleugel waren,
197 9, 21| is de machtige gevallen, die Israël verloste?~
198 9, 22| oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de
199 9, 23| tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten,
200 9, 24| 24 In die dagen werd daar een zeer
201 9, 26| brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.~
202 9, 29| Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.~
203 9, 31| 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid des tijds, het
204 9, 33| broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende,
205 9, 35| Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare,
206 9, 35| verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten
207 9, 37| met grote staat de bruid, die een dochter was van een
208 9, 44| Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons
209 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen
210 9, 49| zijde van Bacchides vielen die dag omtrent duizend man,
211 9, 58| zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust,
212 9, 60| Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen,
213 9, 61| van de mannen des lands, die bewerkers waren van deze
214 9, 62| En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken
215 9, 63| menigte, en ontbood ook die in Judea waren.~
216 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen
217 9, 69| over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat
218 9, 72| hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land
219 10, 6 | zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood
220 10, 7 | het volk, en van degenen, die op de burcht waren.~
221 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven
222 10, 12| 12 En de vreemdelingen, die in de sterkte waren, die
223 10, 12| die in de sterkte waren, die Bacchides had gebouwd, vloden;~
224 10, 14| overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten
225 10, 15| koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden
226 10, 15| oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders,
227 10, 15| broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.~
228 10, 17| aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~
229 10, 30| helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen,
230 10, 30| af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda,
231 10, 30| van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd
232 10, 30| Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van
233 10, 32| Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat
234 10, 32| hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.~
235 10, 33| En alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen
236 10, 34| dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen
237 10, 37| trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn en hun
238 10, 38| aangaande de drie streken, die van het land van Samarië
239 10, 39| Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten
240 10, 40| konings uit de plaatsen die hem toebehoren.~
241 10, 42| vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten,
242 10, 42| rekeningen des heiligdoms, die worden ook kwijtgescholden,
243 10, 42| de priesters toebehoren, die de dienst doen.~
244 10, 43| 43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem
245 10, 43| Jeruzalem zullen vluchten, en die in al de landpalen daarvan
246 10, 45| het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.~
247 10, 47| zij hielden het met hem al die tijd.~
248 10, 50| toe, zo viel Demetrius op die dag.~
249 10, 51| koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:~
250 10, 54| en haar geschenken geven, die uwer waardig zijn.~
251 10, 69| Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet,
252 10, 72| en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen
253 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende, deden
254 10, 84| tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met
255 10, 85| 85 En die met het zwaard waren omgebracht,
256 10, 85| zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot
257 10, 86| legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem
258 10, 87| naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende
259 11, 2 | met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem
260 11, 4 | en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in
261 11, 9 | zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij
262 11, 14| koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de
263 11, 18| dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren,
264 11, 18| omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.~
265 11, 18| omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.~
266 11, 20| 20 In die dagen vergaderde Jonathan
267 11, 20| dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht
268 11, 21| 21 En sommigen, die hun eigen volk haatten,
269 11, 21| eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden
270 11, 26| gedaan hadden de koningen, die voor hem waren geweest,
271 11, 31| afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan
272 11, 32| aan het volk der Joden, die onze vrienden zijn, en die
273 11, 32| die onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht
274 11, 33| behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en
275 11, 33| van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks
276 11, 34| al de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden
277 11, 34| tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen,
278 11, 34| zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze
279 11, 38| zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders
280 11, 38| naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon
281 11, 40| Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem
282 11, 42| dat gij mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat
283 11, 43| kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en
284 11, 44| 44 En die van de stad vergaderden
285 11, 45| het koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen
286 11, 47| zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man,
287 11, 47| brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten
288 11, 48| 48 En die van de stad ziende dat de
289 11, 50| de koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij
290 11, 52| hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar
291 11, 54| vergaderden al de krijgsknechten, die Demetrius afgedankt had,
292 11, 54| Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij
293 11, 59| hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer
294 11, 60| vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde,
295 11, 61| 61 En die van Gaza baden Jonathan,
296 11, 69| 69 En allen die bij Jonathan waren, namen
297 11, 69| Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk
298 11, 72| Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren,
299 11, 73| vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man,
300 12, 5 | afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft
301 12, 7 | hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was,
302 12, 8 | 8 En daar Onias de man, die daarmee gezonden was, zeer
303 12, 9 | niet van node hebben, als die tot onze troost hebben de
304 12, 9 | hebben de heilige boeken, die in onze handen zijn;~
305 12, 10| broederschap en vriendschap, die wij met u hebben, weder
306 12, 11| dagen, in de ófferanden die wij offeren, en ook in onze
307 12, 13| ons, en al de koningen, die rondom ons zijn, doen ons
308 12, 15| hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij
309 12, 19| het afschrift der brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;~
310 12, 26| verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd zijnde, boodschapten
311 12, 27| gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken,
312 12, 28| hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd
313 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het
314 12, 34| sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden,
315 12, 36| de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden,
316 12, 37| bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij
317 12, 45| uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom
318 12, 45| Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten,
319 12, 45| krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld
320 12, 48| Ptolomaïs was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten
321 12, 48| doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~
322 12, 49| om te verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.~
323 12, 50| gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden
324 12, 51| 51 En degenen, die hen vervolgden, ziende dat
325 12, 52| en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en
326 12, 53| 53 Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten
327 13, 3 | oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben.~
328 13, 11| verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef
329 13, 15| schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.~
330 13, 18| 18 Die zeggen zouden: Omdat hij
331 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden
332 13, 22| daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd,
333 13, 29| gezien te worden door allen, die op de zee varen.~
334 13, 34| Simon verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning
335 13, 37| het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben
336 13, 37| te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld
337 13, 38| vast zijn, en de sterkten, die gij gebouwd hebt, zullen
338 13, 39| heden, en de kroongelden die gij schuldig zijt; en zo
339 13, 43| 43 In die dagen bracht Simon zijn
340 13, 43| een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee
341 13, 44| 44 En die in deze stormtoren waren
342 13, 45| 45 En die van de stad kwamen op de
343 13, 48| daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en
344 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem
345 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met verheuging
346 13, 53| versterkte de berg des tempels, die bij de burcht was, en hij
347 14, 3 | bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~
348 14, 7 | weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde.~
349 14, 12| vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.~
350 14, 13| 13 Want die hen bestreden hielden op
351 14, 13| koningen waren vermorzeld in die dagen.~
352 14, 17| bemachtigd had, en de steden die daarin waren;~
353 14, 18| hem weder te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas
354 14, 19| het afschrift der brieven, die de Spartiaten zonden:~
355 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden,
356 14, 22| gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~
357 14, 23| ons volk behaagd, dat men die mannen eerlijk zou ontvangen,
358 14, 35| Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen,
359 14, 35| gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen,
360 14, 36| land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren
361 14, 36| Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden
362 14, 42| hem gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst
363 14, 42| hem gesteld zouden worden die over het land en over de
364 14, 45| zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.~
365 14, 48| koperen platen, en dat men die zou zetten in de omgang
366 15, 4 | komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele
367 15, 5 | bevestig u al de vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de
368 15, 5 | vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en
369 15, 5 | al de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.~
370 15, 7 | zijn, en al de wapenen, die gij bereid hebt, en de sterkten,
371 15, 7 | bereid hebt, en de sterkten, die gij gebouwd en die gij nu
372 15, 7 | sterkten, die gij gebouwd en die gij nu hebt, die zullen
373 15, 7 | gebouwd en die gij nu hebt, die zullen uwe blijven.~
374 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van
375 15, 19| wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.~
376 15, 30| geeft weder over de steden, die gij ingenomen hebt, en de
377 15, 30| tollen van de plaatsen, die gij vermeesterd hebt op
378 15, 30| vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn.~
379 15, 31| niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver,
380 15, 33| maar de erve onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk
381 15, 35| aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder
382 15, 35| en Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een
383 16, 10| vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren;
384 16, 16| stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen
385 16, 22| en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om
386 16, 23| en zijn mannelijke daden, die hij mannelijk uitgericht
387 16, 23| het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd heeft, en
|