Chapter, Verse
1 1, 5 | volken, en heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~
2 1, 9 | hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden
3 1, 10| 10 En zij vermenigvuldigden de ellenden
4 1, 15| 15 En zij bouwden te Jeruzalem een
5 1, 16| 16 En zij maakten zichzelf voorhuiden,
6 1, 20| vielen vele gewonden, en zij namen in de sterke steden
7 1, 31| woorden, met bedrog, en zij geloofden hem.~
8 1, 34| 34 En zij namen de vrouwen en kinderen
9 1, 35| 35 En zij bouwden de stad Davids op
10 1, 37| hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik;~
11 1, 39| 39 En zij vergoten onschuldig bloed
12 1, 44| zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk
13 1, 47| de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de
14 1, 48| 48 Dat zij de brandoffers, de offerande
15 1, 49| 49 Dat zij de sabbatten en de feestdagen
16 1, 50| 50 Dat zij het heiligdom en de heilige
17 1, 51| 51 Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen
18 1, 52| 52 Dat zij hun zonen onbesneden zouden
19 1, 52| onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden
20 1, 52| onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten,
21 1, 55| de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad
22 1, 56| ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het
23 1, 58| honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting
24 1, 58| steden van Juda bouwden zij altaren.~
25 1, 59| en op de straten offerden zij reukwerk;~
26 1, 60| verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd
27 1, 60| wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd hadden.~
28 1, 61| wet toestond, die doodden zij naar het bevel des konings,
29 1, 62| 62 Zo deden zij aan Israël, aan al degenen,
30 1, 63| 63 En zij offerden de vijfentwintigste
31 1, 64| lieten besnijden, doodden zij naar des konings bevel;~
32 1, 65| 65 En zij hingen de kleine kinderen
33 1, 67| liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten
34 2, 11| sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij
35 2, 11| zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~
36 2, 15| dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.~
37 2, 28| bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.~
38 2, 30| zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun
39 2, 32| 32 En als zij hen achterhaald hadden,
40 2, 32| achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd,
41 2, 32| leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg
42 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd tegen
43 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen om
44 2, 38| strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij,
45 2, 38| zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en
46 2, 40| onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde
47 2, 41| 41 En zij besloten een raad op die
48 2, 44| 44 En zij brachten hun macht te zamen,
49 2, 46| 46 En zij besneden met kracht al de
50 2, 46| onbesneden waren, zo velen zij vonden in de landpalen van
51 2, 48| 48 Zij bevrijdden de wet uit de
52 2, 51| onze vaderen, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden,
53 2, 59| Ananias, Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit
54 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen
55 3, 17| tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij,
56 3, 24| 24 En zij vervolgden hen in de nedergang
57 3, 28| jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar
58 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun macht,
59 3, 46| 46 Zo zijn zij vergaderd en gekomen te
60 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden
61 3, 49| 49 En zij brachten daar de klederen
62 3, 49| eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën,
63 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem tot
64 3, 52| vernielen. Gij weet wat zij tegen ons denken.~
65 3, 54| 54 En zij bliezen de trompetten en
66 3, 56| 56 En zij zeiden tot degenen, die
67 3, 57| het leger opgebroken, en zij legerden zich tegen het
68 4, 2 | 2 Opdat zij vallen zouden op het leger
69 4, 6 | met drieduizend man; doch zij hadden geen deksels noch
70 4, 6 | deksels noch zwaarden, zo zij gaarne wilden.~
71 4, 7 | 7 En als zij nu het leger der heidenen
72 4, 12| hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;~
73 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te
74 4, 14| 14 En zij kwamen aan elkander, en
75 4, 15| vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth
76 4, 23| plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver,
77 4, 24| wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging
78 4, 29| 29 En zij, in Idumeä gekomen zijnde,
79 4, 34| 34 Toen vielen zij op elkander aan, en daar
80 4, 37| leger werd vergaderd, en zij gingen op naar de berg Sion.~
81 4, 38| 38 En zij zagen het heiligdom verwoest,
82 4, 39| 39 En zij verscheurden hun klederen,
83 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht
84 4, 41| gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen,
85 4, 43| 43 En zij reinigden het heiligdom,
86 4, 44| 44 En als zij raad hielden wat zij zouden
87 4, 44| als zij raad hielden wat zij zouden doen met het altaar
88 4, 45| heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg;~
89 4, 46| 46 En zij brachten de stenen op de
90 4, 47| 47 En zij namen gehele stenen naar
91 4, 47| gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar,
92 4, 48| 48 En zij bouwden het heiligdom, en
93 4, 48| binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven.~
94 4, 49| 49 En zij maakten nieuwe heilige vaten,
95 4, 49| nieuwe heilige vaten, en zij brachten in de tempel de
96 4, 50| lampen op de kandelaar, en zij gaven licht in de tempel.~
97 4, 51| 51 En zij zetten broden op de tafel,
98 4, 51| volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.~
99 4, 52| 52 En zij stonden des morgens vroeg
100 4, 53| 53 En zij offerden, naar de wet, op
101 4, 53| altaar der brandoffers, dat zij gemaakt hadden;~
102 4, 56| 56 En zij hielden deze inwijding van
103 4, 60| 60 En zij bouwden in die tijd rondom
104 4, 60| weder vertreden, gelijk zij tevoren gedaan hadden.~
105 4, 61| 61 En zij zetten daar krijgsvolk in,
106 5, 1 | ingewijd was als tevoren, dat zij zeer toornig werden.~
107 5, 2 | 2 En zij namen een besluit, om het
108 5, 3 | land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden,
109 5, 4 | strik en aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden
110 5, 10| 10 Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema,
111 5, 11| om ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen,
112 5, 13| Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen
113 5, 16| om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders,
114 5, 22| tot drieduizend man, en zij kregen hun buit.~
115 5, 23| 23 Zij namen tot zich die van Galilea,
116 5, 23| en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen
117 5, 27| Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des
118 5, 30| morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet
119 5, 30| sterkte in te nemen, en zij bestreden ze.~
120 5, 33| drie slagorden, bliezen zij de trompetten, en riepen
121 5, 34| dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht;
122 5, 38| leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende:
123 5, 39| gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen
124 5, 42| zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.~
125 5, 43| voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg,
126 5, 44| 44 En zij namen de stad in, en zij
127 5, 44| zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand,
128 5, 44| Karnaïn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan
129 5, 46| 46 En als zij gekomen waren tot Efron
130 5, 50| voet daardoor gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.~
131 5, 52| gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote
132 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg Sion,
133 5, 54| vreugde en blijdschap, en zij offerden brandofferen, omdat
134 5, 54| een gevallen was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.~
135 5, 56| daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en zeiden:~
136 5, 58| bevel gegeven hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.~
137 5, 61| 61 Daar zij niet hoorden naar Judas
138 5, 61| zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad
139 5, 62| 62 Doch zij waren niet van het zaad
140 5, 64| 64 Zodat zij gezamenlijk vergaderden
141 5, 67| priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden
142 5, 67| daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken zonder
143 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan
144 6, 6 | krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers,
145 6, 6 | hadden van de legers, die zij geslagen hadden;~
146 6, 7 | 7 En dat zij verbroken hadden de gruwel,
147 6, 7 | verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd
148 6, 7 | gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het
149 6, 21| voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en
150 6, 25| 25 En zij strekten hun handen uit
151 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger
152 6, 26| heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.~
153 6, 27| haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen
154 6, 31| 31 En zij kwamen door Idumeä, en legerden
155 6, 31| tegen Bethsura, hetwelk zij vele dagen bevochten, en
156 6, 33| om te vechten, zo bliezen zij de trompetten.~
157 6, 34| 34 En zij toonden de olifanten het
158 6, 35| 35 En zij verdeelden de beesten onder
159 6, 35| beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant
160 6, 36| waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelve
161 6, 41| 41 En zij werden allen ontroerd, die
162 6, 45| hand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden
163 6, 47| 47 En als zij zagen de sterkte des konings,
164 6, 47| van het krijgsvolk, weken zij van hen af.~
165 6, 49| die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl
166 6, 49| trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer
167 6, 52| 52 En zij maakten ook instrumenten
168 6, 53| 53 En zij hadden geen eetwaren in
169 6, 54| honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder
170 6, 57| 57 Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander
171 6, 57| elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken,
172 6, 59| laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun
173 6, 59| wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, en hebben
174 6, 60| vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.~
175 6, 61| zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;~
176 7, 6 | 6 En zij beschuldigden het volk bij
177 7, 10| 10 En zij trokken uit en kwamen met
178 7, 11| 11 Maar zij luisterden naar hun woorden
179 7, 11| naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij met grote
180 7, 11| niet, want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen
181 7, 13| kinderen van Israël, en zij verzochten hun vrede.~
182 7, 14| 14 Want zij zeiden: Een man, die een
183 7, 16| 16 En zij geloofden hem; doch zij
184 7, 16| zij geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen,
185 7, 17| 17 Zij hebben het vlees uwer heiligen,
186 7, 17| vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.~
187 7, 18| op het ganse volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid,
188 7, 18| noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de
189 7, 18| het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.~
190 7, 22| hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van
191 7, 24| die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat
192 7, 24| werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten
193 7, 29| En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander vreedzaam.
194 7, 32| omtrent vijfhonderd mannen, en zij vloden in de stad Davids.~
195 7, 42| overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk
196 7, 44| Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vloden.~
197 7, 45| 45 En zij vervolgden hen een dagreis
198 7, 45| dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij
199 7, 45| zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.~
200 7, 46| inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen tot
201 7, 46| zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het zwaard,
202 7, 47| 47 En zij kregen de buit en de roof,
203 7, 47| afgehouwen hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij
204 7, 48| volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een
205 7, 49| 49 En zij bepaalden dat die dag alle
206 8, 1 | de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte,
207 8, 1 | waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen
208 8, 1 | voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met
209 8, 1 | die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.~
210 8, 2 | en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten,
211 8, 2 | tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en
212 8, 3 | 3 En wat zij gedaan hadden in het land
213 8, 3 | goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd
214 8, 4 | hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en
215 8, 5 | 5 En dat zij Filippus, en Perseus, koningen
216 8, 7 | 7 En dat zij hem levend gekregen hadden,
217 8, 8 | schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende,
218 8, 10| 10 Dat zij een krijgsoverste tegen
219 8, 11| 11 En dat zij de overige koninkrijken
220 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die
221 8, 12| vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken, die
222 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden helpen en laten regeren,
223 8, 13| dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden,
224 8, 13| en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en dat
225 8, 13| wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;~
226 8, 15| 15 Maar dat zij zichzelf een Raad hadden
227 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden om over
228 8, 16| over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam
229 8, 18| juk weg te nemen, overmits zij zagen dat het rijk der Grieken
230 8, 19| 19 En zij reisden naar Rome, en de
231 8, 22| afschrift van de brief, welke zij schreven in koperen tafels,
232 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die met
233 8, 26| Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen
234 8, 28| stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden,
235 8, 30| doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun
236 8, 30| eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar
237 8, 32| 32 Indien zij dan ons weder zullen verzoeken
238 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die naar
239 9, 2 | hetwelk in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen
240 9, 3 | honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem
241 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar
242 9, 6 | 6 En zij zagen de menigte des krijgsvolks,
243 9, 6 | menigte des krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij vreesden
244 9, 6 | dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen
245 9, 9 | 9 Doch zij hielden hem daarvan af,
246 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk
247 9, 12| twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten.~
248 9, 13| geluid des legers beefde, en zij vochten tegen elkander van
249 9, 22| is niet beschreven, want zij waren zeer vele.~
250 9, 26| 26 En zij zochten de vrienden van
251 9, 35| vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was,
252 9, 36| had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.~
253 9, 37| bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid,
254 9, 38| 38 Waarom zij, gedenkende aan hun broeder
255 9, 39| hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis,
256 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen
257 9, 40| vloden naar de berg; en zij kregen al hun buit.~
258 9, 42| 42 En zij deden alzo wraak over het
259 9, 48| Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan
260 9, 51| 51 En zij stelden daarin bezetting,
261 9, 59| 59 En zij reisden heen en beraadslaagden
262 9, 60| medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem
263 9, 60| waren zouden grijpen, doch zij konden niet, overmits dat
264 9, 61| 61 En zij grepen van de mannen des
265 9, 61| boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.~
266 9, 68| 68 En zij vochten tegen Bacchides,
267 9, 68| werd door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat
268 9, 69| 69 En zij werden toornig in hun gemoed
269 9, 69| in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen;
270 10, 1 | en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde
271 10, 8 | 8 En zij vreesden met grote vreze,
272 10, 8 | vreesden met grote vreze, als zij hoorden dat de koning hem
273 10, 11| gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen
274 10, 11| stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.~
275 10, 15| Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen
276 10, 15| broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.~
277 10, 24| en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.~
278 10, 31| 31 En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar
279 10, 37| dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun
280 10, 38| Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één
281 10, 41| dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven
282 10, 41| eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de
283 10, 42| vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten,
284 10, 43| losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.~
285 10, 46| woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet
286 10, 46| namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote
287 10, 47| Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander,
288 10, 47| van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die
289 10, 57| zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het
290 10, 62| kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette
291 10, 64| was aangedaan, zo vloden zij allen.~
292 10, 72| zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw
293 10, 75| legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad,
294 10, 75| Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.~
295 10, 81| een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger,
296 10, 81| omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het
297 10, 82| ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen
298 10, 82| werden door hem geslagen en zij vloden;~
299 11, 4 | nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon
300 11, 4 | verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt
301 11, 5 | 5 En zij vertelden de koning wat
302 11, 6 | met grote heerlijkheid, en zij groetten elkander en zij
303 11, 6 | zij groetten elkander en zij sliepen aldaar.~
304 11, 40| zou willen uitwerpen, want zij streden tegen Israël.~
305 11, 46| riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen
306 11, 47| 47 En zij doodden in de stad op die
307 11, 47| staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote
308 11, 48| bemachtigd hadden, gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed
309 11, 50| 50 En zij wierpen hun wapenen weg,
310 11, 50| die in zijn rijk waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem,
311 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand
312 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben,
313 11, 66| des morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.~
314 11, 67| ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen
315 11, 67| hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren.~
316 11, 71| dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~
317 11, 72| toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.~
318 12, 3 | 3 En zij reisden naar Rome, en kwamen
319 12, 4 | 4 En zij gaven hun brieven aan de
320 12, 4 | inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden
321 12, 17| wij hebben hun gelast, dat zij ook tot u zouden reizen,
322 12, 19| afschrift der brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;~
323 12, 21| Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn, en dat zij
324 12, 21| zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van
325 12, 23| hebben dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen,
326 12, 26| zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden,
327 12, 29| morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden.~
328 12, 30| achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier
329 12, 34| 34 Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven
330 12, 36| alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen,
331 12, 37| 37 En zij vergaderden om de stad op
332 12, 37| die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd
333 12, 43| gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen zijn
334 12, 46| het krijgsvolk heen, en zij trokken naar het land van
335 12, 48| poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen,
336 12, 50| 50 Maar zij, verstaan hebbende, dat
337 12, 50| hem waren, zo vermaanden zij elkander, en zij trokken
338 12, 50| vermaanden zij elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten,
339 12, 52| 52 En zij kwamen allen in het land
340 12, 52| met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het ganse
341 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch
342 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch
343 13, 5 | 5 En nu het zij verre van mij, dat ik mijn
344 13, 7 | geest des volks op, doordat zij deze woorden hoorden.~
345 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een grote
346 13, 17| Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken,
347 13, 25| zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin,
348 13, 37| schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.~
349 13, 40| opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven wordene, en
350 13, 49| kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood,
351 13, 50| 50 En zij riepen tot Simon, dat hij
352 14, 16| Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden.~
353 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen,
354 14, 18| weder te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas
355 14, 22| hebben geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad
356 14, 22| gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~
357 14, 23| afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester.~
358 14, 25| deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan
359 14, 26| hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen
360 14, 29| gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote
361 14, 35| zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste,
362 14, 36| hadden gemaakt, waaruit zij uitvallende alles rondom
363 14, 40| vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer
364 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift
365 15, 5 | de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.~
366 15, 8 | de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, en nu
367 15, 19| koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad
368 15, 19| noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen
369 15, 24| afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~
370 15, 41| en krijgsknechten, opdat zij uitvallende de wegen van
371 16, 3 | En de hulp uit de hemel zij met ulieden.~
372 16, 4 | mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs,
373 16, 5 | vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en
374 16, 10| 10 En zij vluchtten tot in de torens,
375 16, 14| land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij
376 16, 16| wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en
377 16, 19| oversten over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat
378 16, 22| hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden.~
|