Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zien 4
ziende 17
ziet 13
zij 378
zijde 6
zijn 402
zijnde 13
Frequency    [«  »]
435 in
402 zijn
387 die
378 zij
355 te
341 dat
282 hem

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

zij

    Chapter, Verse
1 1, 5 | volken, en heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~ 2 1, 9 | hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden 3 1, 10| 10 En zij vermenigvuldigden de ellenden 4 1, 15| 15 En zij bouwden te Jeruzalem een 5 1, 16| 16 En zij maakten zichzelf voorhuiden, 6 1, 20| vielen vele gewonden, en zij namen in de sterke steden 7 1, 31| woorden, met bedrog, en zij geloofden hem.~ 8 1, 34| 34 En zij namen de vrouwen en kinderen 9 1, 35| 35 En zij bouwden de stad Davids op 10 1, 37| hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik;~ 11 1, 39| 39 En zij vergoten onschuldig bloed 12 1, 44| zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk 13 1, 47| de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de 14 1, 48| 48 Dat zij de brandoffers, de offerande 15 1, 49| 49 Dat zij de sabbatten en de feestdagen 16 1, 50| 50 Dat zij het heiligdom en de heilige 17 1, 51| 51 Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen 18 1, 52| 52 Dat zij hun zonen onbesneden zouden 19 1, 52| onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden 20 1, 52| onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, 21 1, 55| de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad 22 1, 56| ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het 23 1, 58| honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting 24 1, 58| steden van Juda bouwden zij altaren.~ 25 1, 59| en op de straten offerden zij reukwerk;~ 26 1, 60| verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd 27 1, 60| wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd hadden.~ 28 1, 61| wet toestond, die doodden zij naar het bevel des konings, 29 1, 62| 62 Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, 30 1, 63| 63 En zij offerden de vijfentwintigste 31 1, 64| lieten besnijden, doodden zij naar des konings bevel;~ 32 1, 65| 65 En zij hingen de kleine kinderen 33 1, 67| liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten 34 2, 11| sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij 35 2, 11| zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~ 36 2, 15| dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.~ 37 2, 28| bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.~ 38 2, 30| zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun 39 2, 32| 32 En als zij hen achterhaald hadden, 40 2, 32| achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, 41 2, 32| leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg 42 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd tegen 43 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen om 44 2, 38| strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, 45 2, 38| zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en 46 2, 40| onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde 47 2, 41| 41 En zij besloten een raad op die 48 2, 44| 44 En zij brachten hun macht te zamen, 49 2, 46| 46 En zij besneden met kracht al de 50 2, 46| onbesneden waren, zo velen zij vonden in de landpalen van 51 2, 48| 48 Zij bevrijdden de wet uit de 52 2, 51| onze vaderen, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, 53 2, 59| Ananias, Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit 54 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen 55 3, 17| tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, 56 3, 24| 24 En zij vervolgden hen in de nedergang 57 3, 28| jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar 58 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun macht, 59 3, 46| 46 Zo zijn zij vergaderd en gekomen te 60 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden 61 3, 49| 49 En zij brachten daar de klederen 62 3, 49| eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën, 63 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem tot 64 3, 52| vernielen. Gij weet wat zij tegen ons denken.~ 65 3, 54| 54 En zij bliezen de trompetten en 66 3, 56| 56 En zij zeiden tot degenen, die 67 3, 57| het leger opgebroken, en zij legerden zich tegen het 68 4, 2 | 2 Opdat zij vallen zouden op het leger 69 4, 6 | met drieduizend man; doch zij hadden geen deksels noch 70 4, 6 | deksels noch zwaarden, zo zij gaarne wilden.~ 71 4, 7 | 7 En als zij nu het leger der heidenen 72 4, 12| hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;~ 73 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te 74 4, 14| 14 En zij kwamen aan elkander, en 75 4, 15| vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth 76 4, 23| plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, 77 4, 24| wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging 78 4, 29| 29 En zij, in Idumeä gekomen zijnde, 79 4, 34| 34 Toen vielen zij op elkander aan, en daar 80 4, 37| leger werd vergaderd, en zij gingen op naar de berg Sion.~ 81 4, 38| 38 En zij zagen het heiligdom verwoest, 82 4, 39| 39 En zij verscheurden hun klederen, 83 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht 84 4, 41| gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, 85 4, 43| 43 En zij reinigden het heiligdom, 86 4, 44| 44 En als zij raad hielden wat zij zouden 87 4, 44| als zij raad hielden wat zij zouden doen met het altaar 88 4, 45| heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg;~ 89 4, 46| 46 En zij brachten de stenen op de 90 4, 47| 47 En zij namen gehele stenen naar 91 4, 47| gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, 92 4, 48| 48 En zij bouwden het heiligdom, en 93 4, 48| binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven.~ 94 4, 49| 49 En zij maakten nieuwe heilige vaten, 95 4, 49| nieuwe heilige vaten, en zij brachten in de tempel de 96 4, 50| lampen op de kandelaar, en zij gaven licht in de tempel.~ 97 4, 51| 51 En zij zetten broden op de tafel, 98 4, 51| volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.~ 99 4, 52| 52 En zij stonden des morgens vroeg 100 4, 53| 53 En zij offerden, naar de wet, op 101 4, 53| altaar der brandoffers, dat zij gemaakt hadden;~ 102 4, 56| 56 En zij hielden deze inwijding van 103 4, 60| 60 En zij bouwden in die tijd rondom 104 4, 60| weder vertreden, gelijk zij tevoren gedaan hadden.~ 105 4, 61| 61 En zij zetten daar krijgsvolk in, 106 5, 1 | ingewijd was als tevoren, dat zij zeer toornig werden.~ 107 5, 2 | 2 En zij namen een besluit, om het 108 5, 3 | land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, 109 5, 4 | strik en aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden 110 5, 10| 10 Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema, 111 5, 11| om ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen, 112 5, 13| Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen 113 5, 16| om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, 114 5, 22| tot drieduizend man, en zij kregen hun buit.~ 115 5, 23| 23 Zij namen tot zich die van Galilea, 116 5, 23| en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen 117 5, 27| Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des 118 5, 30| morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet 119 5, 30| sterkte in te nemen, en zij bestreden ze.~ 120 5, 33| drie slagorden, bliezen zij de trompetten, en riepen 121 5, 34| dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht; 122 5, 38| leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: 123 5, 39| gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen 124 5, 42| zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.~ 125 5, 43| voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, 126 5, 44| 44 En zij namen de stad in, en zij 127 5, 44| zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand, 128 5, 44| Karnaïn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan 129 5, 46| 46 En als zij gekomen waren tot Efron 130 5, 50| voet daardoor gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.~ 131 5, 52| gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote 132 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg Sion, 133 5, 54| vreugde en blijdschap, en zij offerden brandofferen, omdat 134 5, 54| een gevallen was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.~ 135 5, 56| daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en zeiden:~ 136 5, 58| bevel gegeven hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.~ 137 5, 61| 61 Daar zij niet hoorden naar Judas 138 5, 61| zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad 139 5, 62| 62 Doch zij waren niet van het zaad 140 5, 64| 64 Zodat zij gezamenlijk vergaderden 141 5, 67| priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden 142 5, 67| daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken zonder 143 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan 144 6, 6 | krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, 145 6, 6 | hadden van de legers, die zij geslagen hadden;~ 146 6, 7 | 7 En dat zij verbroken hadden de gruwel, 147 6, 7 | verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd 148 6, 7 | gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het 149 6, 21| voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en 150 6, 25| 25 En zij strekten hun handen uit 151 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger 152 6, 26| heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.~ 153 6, 27| haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen 154 6, 31| 31 En zij kwamen door Idumeä, en legerden 155 6, 31| tegen Bethsura, hetwelk zij vele dagen bevochten, en 156 6, 33| om te vechten, zo bliezen zij de trompetten.~ 157 6, 34| 34 En zij toonden de olifanten het 158 6, 35| 35 En zij verdeelden de beesten onder 159 6, 35| beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant 160 6, 36| waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelve 161 6, 41| 41 En zij werden allen ontroerd, die 162 6, 45| hand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden 163 6, 47| 47 En als zij zagen de sterkte des konings, 164 6, 47| van het krijgsvolk, weken zij van hen af.~ 165 6, 49| die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl 166 6, 49| trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer 167 6, 52| 52 En zij maakten ook instrumenten 168 6, 53| 53 En zij hadden geen eetwaren in 169 6, 54| honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder 170 6, 57| 57 Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander 171 6, 57| elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, 172 6, 59| laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun 173 6, 59| wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, en hebben 174 6, 60| vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.~ 175 6, 61| zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;~ 176 7, 6 | 6 En zij beschuldigden het volk bij 177 7, 10| 10 En zij trokken uit en kwamen met 178 7, 11| 11 Maar zij luisterden naar hun woorden 179 7, 11| naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij met grote 180 7, 11| niet, want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen 181 7, 13| kinderen van Israël, en zij verzochten hun vrede.~ 182 7, 14| 14 Want zij zeiden: Een man, die een 183 7, 16| 16 En zij geloofden hem; doch zij 184 7, 16| zij geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, 185 7, 17| 17 Zij hebben het vlees uwer heiligen, 186 7, 17| vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.~ 187 7, 18| op het ganse volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, 188 7, 18| noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de 189 7, 18| het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.~ 190 7, 22| hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van 191 7, 24| die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat 192 7, 24| werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten 193 7, 29| En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander vreedzaam. 194 7, 32| omtrent vijfhonderd mannen, en zij vloden in de stad Davids.~ 195 7, 42| overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk 196 7, 44| Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vloden.~ 197 7, 45| 45 En zij vervolgden hen een dagreis 198 7, 45| dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij 199 7, 45| zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.~ 200 7, 46| inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen tot 201 7, 46| zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het zwaard, 202 7, 47| 47 En zij kregen de buit en de roof, 203 7, 47| afgehouwen hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij 204 7, 48| volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een 205 7, 49| 49 En zij bepaalden dat die dag alle 206 8, 1 | de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, 207 8, 1 | waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen 208 8, 1 | voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met 209 8, 1 | die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.~ 210 8, 2 | en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, 211 8, 2 | tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en 212 8, 3 | 3 En wat zij gedaan hadden in het land 213 8, 3 | goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd 214 8, 4 | hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en 215 8, 5 | 5 En dat zij Filippus, en Perseus, koningen 216 8, 7 | 7 En dat zij hem levend gekregen hadden, 217 8, 8 | schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, 218 8, 10| 10 Dat zij een krijgsoverste tegen 219 8, 11| 11 En dat zij de overige koninkrijken 220 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die 221 8, 12| vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken, die 222 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden helpen en laten regeren, 223 8, 13| dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, 224 8, 13| en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en dat 225 8, 13| wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;~ 226 8, 15| 15 Maar dat zij zichzelf een Raad hadden 227 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden om over 228 8, 16| over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam 229 8, 18| juk weg te nemen, overmits zij zagen dat het rijk der Grieken 230 8, 19| 19 En zij reisden naar Rome, en de 231 8, 22| afschrift van de brief, welke zij schreven in koperen tafels, 232 8, 26| 26 En zij zullen degenen, die met 233 8, 26| Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen 234 8, 28| stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, 235 8, 30| doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun 236 8, 30| eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar 237 8, 32| 32 Indien zij dan ons weder zullen verzoeken 238 9, 2 | 2 En zij trokken de weg, die naar 239 9, 2 | hetwelk in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen 240 9, 3 | honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem 241 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar 242 9, 6 | 6 En zij zagen de menigte des krijgsvolks, 243 9, 6 | menigte des krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij vreesden 244 9, 6 | dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen 245 9, 9 | 9 Doch zij hielden hem daarvan af, 246 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk 247 9, 12| twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten.~ 248 9, 13| geluid des legers beefde, en zij vochten tegen elkander van 249 9, 22| is niet beschreven, want zij waren zeer vele.~ 250 9, 26| 26 En zij zochten de vrienden van 251 9, 35| vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, 252 9, 36| had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.~ 253 9, 37| bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, 254 9, 38| 38 Waarom zij, gedenkende aan hun broeder 255 9, 39| hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis, 256 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen 257 9, 40| vloden naar de berg; en zij kregen al hun buit.~ 258 9, 42| 42 En zij deden alzo wraak over het 259 9, 48| Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan 260 9, 51| 51 En zij stelden daarin bezetting, 261 9, 59| 59 En zij reisden heen en beraadslaagden 262 9, 60| medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem 263 9, 60| waren zouden grijpen, doch zij konden niet, overmits dat 264 9, 61| 61 En zij grepen van de mannen des 265 9, 61| boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.~ 266 9, 68| 68 En zij vochten tegen Bacchides, 267 9, 68| werd door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat 268 9, 69| 69 En zij werden toornig in hun gemoed 269 9, 69| in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; 270 10, 1 | en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde 271 10, 8 | 8 En zij vreesden met grote vreze, 272 10, 8 | vreesden met grote vreze, als zij hoorden dat de koning hem 273 10, 11| gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen 274 10, 11| stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.~ 275 10, 15| Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen 276 10, 15| broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.~ 277 10, 24| en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.~ 278 10, 31| 31 En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar 279 10, 37| dezelve gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun 280 10, 38| Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één 281 10, 41| dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven 282 10, 41| eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de 283 10, 42| vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, 284 10, 43| losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.~ 285 10, 46| woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet 286 10, 46| namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote 287 10, 47| Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, 288 10, 47| van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die 289 10, 57| zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het 290 10, 62| kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette 291 10, 64| was aangedaan, zo vloden zij allen.~ 292 10, 72| zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw 293 10, 75| legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, 294 10, 75| Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.~ 295 10, 81| een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, 296 10, 81| omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het 297 10, 82| ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen 298 10, 82| werden door hem geslagen en zij vloden;~ 299 11, 4 | nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon 300 11, 4 | verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt 301 11, 5 | 5 En zij vertelden de koning wat 302 11, 6 | met grote heerlijkheid, en zij groetten elkander en zij 303 11, 6 | zij groetten elkander en zij sliepen aldaar.~ 304 11, 40| zou willen uitwerpen, want zij streden tegen Israël.~ 305 11, 46| riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen 306 11, 47| 47 En zij doodden in de stad op die 307 11, 47| staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote 308 11, 48| bemachtigd hadden, gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed 309 11, 50| 50 En zij wierpen hun wapenen weg, 310 11, 50| die in zijn rijk waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem, 311 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand 312 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, 313 11, 66| des morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.~ 314 11, 67| ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen 315 11, 67| hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren.~ 316 11, 71| dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~ 317 11, 72| toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.~ 318 12, 3 | 3 En zij reisden naar Rome, en kwamen 319 12, 4 | 4 En zij gaven hun brieven aan de 320 12, 4 | inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden 321 12, 17| wij hebben hun gelast, dat zij ook tot u zouden reizen, 322 12, 19| afschrift der brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;~ 323 12, 21| Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn, en dat zij 324 12, 21| zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van 325 12, 23| hebben dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, 326 12, 26| zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, 327 12, 29| morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden.~ 328 12, 30| achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier 329 12, 34| 34 Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven 330 12, 36| alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, 331 12, 37| 37 En zij vergaderden om de stad op 332 12, 37| die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd 333 12, 43| gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen zijn 334 12, 46| het krijgsvolk heen, en zij trokken naar het land van 335 12, 48| poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, 336 12, 50| 50 Maar zij, verstaan hebbende, dat 337 12, 50| hem waren, zo vermaanden zij elkander, en zij trokken 338 12, 50| vermaanden zij elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten, 339 12, 52| 52 En zij kwamen allen in het land 340 12, 52| met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het ganse 341 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch 342 12, 54| 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch 343 13, 5 | 5 En nu het zij verre van mij, dat ik mijn 344 13, 7 | geest des volks op, doordat zij deze woorden hoorden.~ 345 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een grote 346 13, 17| Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, 347 13, 25| zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, 348 13, 37| schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.~ 349 13, 40| opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven wordene, en 350 13, 49| kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood, 351 13, 50| 50 En zij riepen tot Simon, dat hij 352 14, 16| Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden.~ 353 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, 354 14, 18| weder te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas 355 14, 22| hebben geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad 356 14, 22| gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~ 357 14, 23| afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester.~ 358 14, 25| deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan 359 14, 26| hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen 360 14, 29| gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote 361 14, 35| zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, 362 14, 36| hadden gemaakt, waaruit zij uitvallende alles rondom 363 14, 40| vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer 364 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift 365 15, 5 | de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.~ 366 15, 8 | de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, en nu 367 15, 19| koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad 368 15, 19| noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen 369 15, 24| afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~ 370 15, 41| en krijgsknechten, opdat zij uitvallende de wegen van 371 16, 3 | En de hulp uit de hemel zij met ulieden.~ 372 16, 4 | mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, 373 16, 5 | vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en 374 16, 10| 10 En zij vluchtten tot in de torens, 375 16, 14| land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij 376 16, 16| wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en 377 16, 19| oversten over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat 378 16, 22| hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License