Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
tafel 3
tafels 1
talenten 6
te 355
tefo 1
tegemoet 18
tegen 109
Frequency    [«  »]
402 zijn
387 die
378 zij
355 te
341 dat
282 hem
264 met

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

te

    Chapter, Verse
1 1, 6 | 6 En na deze viel hij te bed; en wetende dat hij 2 1, 14| der heidenen inzettingen te plegen.~ 3 1, 15| 15 En zij bouwden te Jeruzalem een school naar 4 1, 16| waren verkocht om het kwade te doen.~ 5 1, 17| bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om 6 1, 17| heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.~ 7 1, 30| steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote 8 1, 38| altoos het heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël 9 1, 38| Israël een boos beschuldiger te zijn.~ 10 1, 66| geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen;~ 11 1, 67| 67 En verkoren liever te sterven, opdat zij zich 12 2, 7 | ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn 13 2, 7 | heilige stad, en om daar te zitten, daar ze overgegeven 14 2, 15| die de lieden dwongen af te vallen, dat zij moesten 15 2, 23| hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse 16 2, 23| om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te 17 2, 23| te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel des 18 2, 25| konings, die de lieden dwong te offeren, doodde hij ook 19 2, 30| 30 Om zich daar neder te zetten, zij en hun kinderen, 20 2, 31| en de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van 21 2, 34| des konings niet doen, om te ontheiligen de dag des sabbats.~ 22 2, 38| stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en 23 2, 41| mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, 24 2, 44| En zij brachten hun macht te zamen, en sloegen de zondaren 25 2, 44| de heidenen om behouden te worden.~ 26 3, 10| macht, om tegen Israël krijg te voeren.~ 27 3, 15| leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou 28 3, 18| onderscheid voor de hemel, te behouden door velen of door 29 3, 20| smaadheid en ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, 30 3, 20| onze kinderen, en om ons te beroven.~ 31 3, 25| een verschrikking begon te vallen op de volken, die 32 3, 30| of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken 33 3, 30| doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met 34 3, 31| geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de 35 3, 31| schattingen van die landen te ontvangen, en veel geld 36 3, 31| ontvangen, en veel geld te vergaderen.~ 37 3, 33| om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou wederkeren.~ 38 3, 35| om de sterkte van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene 39 3, 35| overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis 40 3, 35| gedachtenis van die plaats weg te nemen.~ 41 3, 39| zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, 42 3, 39| het land van Juda, en het te verderven, naar het woord 43 3, 41| Israëls tot dienstknechten te verkrijgen, en de macht 44 3, 42| bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, 45 3, 42| volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een 46 3, 44| vergadering kwam bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om 47 3, 44| zijn tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid 48 3, 44| barmhartigheid en ontferming te verzoeken.~ 49 3, 46| zij vergaderd en gekomen te Mizpa, tegenover Jeruzalem, 50 3, 46| plaats des gebeds tevoren te Mizpa voor Israël was geweest.~ 51 3, 48| beeltenis hunner afgoden te schrijven.~ 52 3, 52| tegen ons vergaderd om ons te vernielen. Gij weet wat 53 3, 58| tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, 54 3, 58| vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.~ 55 4, 1 | tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen 56 4, 3 | hij en zijn machtigen, om te slaan de krijgsmacht des 57 4, 13| zij togen uit hun leger om te strijden, en die bij Judas 58 4, 16| krijgsvolk keerden weder van hen te vervolgen;~ 59 4, 19| Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde zich 60 4, 21| vlakke veld gereed stond om te vechten.~ 61 4, 28| vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.~ 62 4, 29| gekomen zijnde, legerden zich te Bethsura, en Judas kwam 63 4, 35| Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok 64 4, 35| om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, 65 4, 35| gesterkt zijnde, in Judea te komen.~ 66 4, 36| opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw 67 4, 36| reinigen, en het opnieuw in te wijden.~ 68 4, 45| raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat hij hun niet 69 4, 46| een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze 70 4, 51| die zij waren begonnen te maken.~ 71 4, 60| opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden komen 72 4, 61| daar krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, 73 4, 61| maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat het volk 74 5, 2 | om het geslacht van Jakob te verdelgen; allen die in 75 5, 2 | begonnen onder het volk enigen te doden en te verdelgen.~ 76 5, 2 | volk enigen te doden en te verdelgen.~ 77 5, 9 | Galaäd waren, vergaderden te zamen tegen de Israëlieten, 78 5, 9 | landpalen waren, om hen te verdelgen.~ 79 5, 11| ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd, om ons 80 5, 11| zamen vergaderd, om ons te verderven, en zij bereiden 81 5, 11| en zij bereiden zich om te komen, en in te nemen de 82 5, 11| zich om te komen, en in te nemen de sterkte, waarin 83 5, 15| vreemdelingen, om ons uit te roeien.~ 84 5, 16| een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden 85 5, 17| trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea 86 5, 20| drieduizend man, om naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend 87 5, 20| Judas achtduizend man om te trekken naar Galaäditis.~ 88 5, 26| velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, 89 5, 26| Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; 90 5, 26| Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al deze 91 5, 27| hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, 92 5, 27| tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen 93 5, 27| in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.~ 94 5, 30| gereedschappen om de sterkte in te nemen, en zij bestreden 95 5, 38| Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten 96 5, 39| Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun 97 5, 39| beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En 98 5, 39| gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok 99 5, 41| tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn.~ 100 5, 43| en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.~ 101 5, 45| een zeer groot leger, om te komen in het land van Juda.~ 102 5, 50| door uw land doortrekken om te komen in ons land, en niemand 103 5, 50| doen, wij zullen alleen te voet daardoor gaan; doch 104 5, 57| laat ons heentrekken om te beoorlogen de heidenen, 105 5, 59| hun tegemoet, om tegen hen te strijden.~ 106 6, 3 | gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, 107 6, 3 | stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon 108 6, 4 | zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, 109 6, 7 | het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het 110 6, 8 | ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid 111 6, 12| Juda zonder oorzaak uit te roeien.~ 112 6, 15| en hem opvoeden om koning te zijn.~ 113 6, 17| Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, welke 114 6, 18| altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren 115 6, 19| nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde 116 6, 19| verzamelde al het volk om hen te belegeren.~ 117 6, 23| hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in 118 6, 23| gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door 119 6, 23| hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor 120 6, 26| deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura 121 6, 33| leger verdeeld zijnde om te vechten, zo bliezen zij 122 6, 34| moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te maken.~ 123 6, 34| tot de strijd te moediger te maken.~ 124 6, 35| elke olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers 125 6, 42| en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van 126 6, 44| begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf 127 6, 44| zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen.~ 128 6, 49| om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats 129 6, 50| daar een bezetting om ze te bewaren.~ 130 6, 51| geweld om vuur en stenen te werpen; en schorpioenen, 131 6, 51| schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren.~ 132 6, 51| om pijlen te werpen en te slingeren.~ 133 6, 55| om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning 134 6, 56| zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan,~ 135 6, 60| tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem 136 7, 2 | Lysias greep, om die tot hem te brengen.~ 137 7, 9 | en hij gebood hem wraak te doen over de kinderen Israëls.~ 138 7, 12| om enige billijke zaken te verzoeken.~ 139 7, 19| Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth, en zond heen, en 140 7, 22| brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.~ 141 7, 27| 27 En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote 142 7, 29| om Judas met geweld weg te nemen.~ 143 7, 31| is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama.~ 144 7, 33| volks, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te 145 7, 33| te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat 146 7, 38| en geef hun geen verblijf te hebben.~ 147 7, 39| Jeruzalem en legerde zich te Bethoron, en aldaar ontmoette 148 7, 43| legers kwamen met elkander te strijden, op de dertiende 149 7, 45| Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter 150 8, 3 | het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen 151 8, 7 | hun een grote schatting te geven, en gijzelaars te 152 8, 7 | te geven, en gijzelaars te stellen, en een scheiding 153 8, 7 | stellen, en een scheiding te maken;~ 154 8, 8 | 8 En te geven het land van Indië, 155 8, 9 | hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, 156 8, 9 | hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak 157 8, 14| om zich daarin treffelijk te vertonen;~ 158 8, 15| raad hielden, om het wel te regeren;~ 159 8, 16| vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en 160 8, 16| regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; 161 8, 17| gemeenschap van wapenen te maken.~ 162 8, 18| En om van hen het juk weg te nemen, overmits zij zagen 163 8, 22| Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des 164 8, 23| der Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. 165 8, 23| moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En 166 8, 26| onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen.~ 167 8, 32| tegen u oorlog aannemen te water en te land.~ ~ 168 8, 32| oorlog aannemen te water en te land.~ ~ 169 9, 1 | Alcimus ten tweeden male te zenden naar het land Juda, 170 9, 2 | leidt, en legerden zich te Masaloth, hetwelk in Arbele 171 9, 4 | met twintigduizend man te voet, en tweeduizend ruiters.~ 172 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen 173 9, 7 | had om hen weder bijeen te vergaderen, en hij werd 174 9, 11| machtigen waren gesteld om eerst te strijden.~ 175 9, 19| het graf zijner vaderen te Modin.~ 176 9, 22| En hetgeen nog overig is te zeggen van Judas en van 177 9, 29| geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, 178 9, 30| uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats, en 179 9, 30| veldoverste, om onze oorlog te voeren.~ 180 9, 32| dat vernemende, zocht hem te doden.~ 181 9, 35| Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, 182 9, 45| en daar is geen plaats om te ontwijken.~ 183 9, 47| zijn hand uit om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem 184 9, 51| bezetting, om Israël vijandelijk te bestrijden.~ 185 9, 53| hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.~ 186 9, 53| de burcht te Jeruzalem om te bewaren.~ 187 9, 54| profeten, en hij begon het te verbreken.~ 188 9, 66| tenten; en als hij begon te slaan, en met zijn krijgsvolk 189 9, 66| en met zijn krijgsvolk op te trekken,~ 190 9, 69| een raad om uit hun land te trekken.~ 191 9, 70| gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de gevangenen 192 9, 71| niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn 193 9, 72| ondernomen in hun landpalen te komen.~ 194 9, 73| Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de 195 10, 2 | krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~ 196 10, 3 | woorden, om hem grotelijks te verheffen.~ 197 10, 4 | voorkomen om met hem vrede te maken, eer hij vrede make 198 10, 6 | hem macht om krijgsvolk te vergaderen, en de wapenen 199 10, 6 | vergaderen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot 200 10, 6 | waren, gebood hij hem over te geven.~ 201 10, 7 | 7 En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze 202 10, 8 | gegeven had om krijgsvolk te verzamelen.~ 203 10, 10| 10 En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon 204 10, 10| en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.~ 205 10, 10| de stad op te bouwen, en te vernieuwen.~ 206 10, 19| bekwaam zijt om onze vriend te zijn.~ 207 10, 20| vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem 208 10, 23| voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich 209 10, 23| de Joden, om zich daarmee te sterken?~ 210 10, 30| boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van 211 10, 32| ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef 212 10, 32| hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.~ 213 10, 35| macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen 214 10, 35| iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak.~ 215 10, 38| gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht 216 10, 38| anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.~ 217 10, 39| schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, 218 10, 43| allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, 219 10, 45| de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk 220 10, 45| bouwen, en rondom sterk te maken, zullen de kosten 221 10, 49| deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van 222 10, 57| Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste 223 10, 61| verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de koning 224 10, 73| rots, noch plaats is om te vlieden.~ 225 10, 74| broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.~ 226 10, 83| afgod, om daar behouden te zijn.~ 227 10, 88| hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.~ 228 11, 1 | koninkrijk van Alexander te bemachtigen met bedrog, 229 11, 1 | bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.~ 230 11, 5 | gedaan had, om hem veracht te maken; en de koning zweeg,~ 231 11, 10| want hij heeft mij gezocht te doden.~ 232 11, 13| 13 En Ptolomeüs kwam te Antiochië, en zette op zijn 233 11, 15| horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs toog 234 11, 20| uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en 235 11, 20| de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze 236 11, 22| hij terstond aan, en kwam te Ptolomaïs, en schreef aan 237 11, 22| tot Ptolomaïs, om met hem te spreken.~ 238 11, 24| hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en hij vond genade 239 11, 32| houden hetgeen recht is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid 240 11, 33| geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat 241 11, 45| stad in, en begonnen hem te bestrijden.~ 242 11, 46| de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden 243 11, 46| en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden 244 11, 49| ophouden ons en de stad te bestrijden.~ 245 11, 57| en hij gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk, 246 11, 57| goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en om een gouden 247 11, 57| dragen, en om een gouden gesp te hebben.~ 248 11, 59| vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij 249 11, 62| de oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren, 250 12, 1 | om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder te 251 12, 1 | te bevestigen, en weder te vernieuwen.~ 252 12, 3 | gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de vriendschap 253 12, 10| nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap 254 12, 10| wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat wij van 255 12, 11| is de broederen gedachtig te zijn.~ 256 12, 15| hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn verlost 257 12, 16| van wapenen met hen weder te vernieuwen.~ 258 12, 24| dan tevoren, om tegen hem te strijden,~ 259 12, 25| geen tijd om in zijn land te vallen.~ 260 12, 26| hadden, om hen des nachts te overvallen.~ 261 12, 34| een bezetting in, om ze te bewaren.~ 262 12, 35| met hen raad, om sterkten te bouwen in Judea;~ 263 12, 36| muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote 264 12, 36| en om een grote hoogte op te maken midden tussen de burcht 265 12, 36| stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen 266 12, 37| vergaderden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij 267 12, 39| zocht in Azië als koning te regeren, en een koninklijke 268 12, 39| een koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand te 269 12, 39| te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.~ 270 12, 40| zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog 271 12, 40| zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen.~ 272 12, 40| om hem te krijgen en om te brengen.~ 273 12, 42| tegen hem de handen uit te strekken.~ 274 12, 49| het grote vlakke veld, om te verdelgen allen, die met 275 12, 50| aaneengesloten, bereid om te strijden.~ 276 12, 53| rondom hen waren, zochten hen te verdelgen,~ 277 13, 1 | krijgsmacht bijeenvergaderde, om te komen naar het land van 278 13, 1 | het land van Juda, en het te verdrukken;~ 279 13, 6 | ons vanwege de vijandschap te vermorzelen.~ 280 13, 10| de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte 281 13, 12| macht in het land van Juda te komen; en Jonathan was bij 282 13, 15| vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.~ 283 13, 20| kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, 284 13, 20| land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam zijn 285 13, 21| gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot 286 13, 22| ruiterij gereed, om daarheen te trekken; en in die nacht 287 13, 25| Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.~ 288 13, 29| schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op 289 13, 30| het graf, dat hij maakte te Modin, hetwelk nog is tot 290 13, 37| wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en 291 13, 37| maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die 292 13, 39| en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald 293 13, 40| onder ons volk opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven 294 13, 42| het volk van Israël begon te schrijven in hun handschriften 295 13, 48| onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet 296 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden 297 13, 49| werden verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen 298 13, 49| in te gaan in het land, te kopen en te verkopen, en 299 13, 49| in het land, te kopen en te verkopen, en zij leden grote 300 14, 1 | naar Medië, om hulp bijeen te trekken, om Tryfon te beoorlogen.~ 301 14, 1 | bijeen te trekken, om Tryfon te beoorlogen.~ 302 14, 2 | zijn oversten om hem levend te krijgen.~ 303 14, 10| allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat zijn heerlijke 304 14, 16| 16 Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, 305 14, 18| van wapenen met hem weder te vernieuwen, die zij gemaakt 306 14, 19| gelezen voor de ganse gemeente te Jeruzalem. En dit is het 307 14, 22| die zij met ons hadden, te vernieuwen.~ 308 14, 24| gemeenschap der wapenen te bevestigen.~ 309 14, 31| wilden invallen, om hun land te verwoesten, en hun handen 310 14, 31| verwoesten, en hun handen uit te strekken tegen hun heiligdom;~ 311 14, 34| hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig 312 14, 35| alle manieren zijn volk te verhogen.~ 313 14, 36| in de stad Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf 314 14, 37| stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze 315 14, 44| zijn iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken 316 14, 44| teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen van hem 317 14, 44| vergadering in het land te vergaderen zonder hem, of 318 14, 44| zonder hem, of versierd te worden met een purperen 319 14, 46| goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon naar 320 14, 47| priesters, en over allen te gebieden.~ 321 15, 3 | ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, 322 15, 3 | weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren 323 15, 10| de krijgsmachten kwamen te zamen bij hem, zodat er 324 15, 11| en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~ 325 15, 14| voegde schepen uit de zee te zamen, en benauwde de stad 326 15, 14| zamen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet 327 15, 17| vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap 328 15, 19| heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, 329 15, 19| hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, 330 15, 20| goedgevonden van hen het schild te ontvangen.~ 331 15, 26| uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, 332 15, 28| zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden 333 15, 28| en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn 334 15, 32| vriend des konings, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid 335 15, 38| en gaf hem krijgsvolk, te voet en te paard.~ 336 15, 38| hem krijgsvolk, te voet en te paard.~ 337 15, 40| Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te 338 15, 40| te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen 339 15, 40| vallen, en het volk gevangen te nemen, en te doden, en hij 340 15, 40| volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,~ 341 16, 4 | tegen Cendebeüs, en sliepen te Modin.~ 342 16, 5 | en ziet, een grote macht te voet en te paard ontmoette 343 16, 5 | een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, en 344 16, 6 | volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst 345 16, 9 | vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd 346 16, 13| en zijn zonen, om hen om te brengen.~ 347 16, 14| steden van het land, om te bezorgen wat zij van node 348 16, 14| node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen 349 16, 18| dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde zenden, en dat 350 16, 19| naar Gazara, om Johannes om te brengen; en hij zond brieven 351 16, 20| anderen om Jeruzalem in te nemen, en de berg van de 352 16, 21| boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was 353 16, 21| gezonden had om hem ook om te brengen.~ 354 16, 22| gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen, 355 16, 22| verstond dat zij hem zochten te doden.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License