Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Dat hij vele veldslagen voerde,
2 1, 3 | van menigte der volken, en dat het land voor hem stil was.~
3 1, 6 | viel hij te bed; en wetende dat hij sterven zou,~
4 1, 13| 13 Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn,
5 1, 23| en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd,
6 1, 43| ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en
7 1, 44| aan zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één
8 1, 44| zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou
9 1, 47| aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar
10 1, 48| 48 Dat zij de brandoffers, de offerande
11 1, 49| 49 Dat zij de sabbatten en de feestdagen
12 1, 50| 50 Dat zij het heiligdom en de
13 1, 51| 51 Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen
14 1, 52| 52 Dat zij hun zonen onbesneden
15 1, 52| onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk
16 1, 55| beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad
17 1, 57| 57 En maakten dat Israël zich zette in holen,
18 1, 63| de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.~
19 2, 10| 10 Wat volk is er dat haar koninkrijk niet heeft
20 2, 15| lieden dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.~
21 2, 19| grote stem: Al ware het dat alle volken, die in het
22 2, 19| zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel
23 2, 21| Here wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet
24 2, 22| konings zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden onze
25 2, 24| 24 En Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren
26 2, 31| waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod
27 2, 31| woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.~
28 2, 33| 33 Het is nog tijd dat gij uitkomt, en doet naar
29 2, 37| aarde getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.~
30 2, 49| En als de dagen naderden dat Mattathias zou sterven,
31 2, 61| geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen,
32 2, 65| Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is,
33 3, 6 | voor hem zich introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid
34 3, 6 | tezamen beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis
35 3, 13| krijgsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering
36 3, 15| goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou nemen over
37 3, 18| Judas zeide: Het is licht dat velen besloten worden in
38 3, 28| een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een
39 3, 29| 29 En toen hij zag dat het geld in zijn schatten
40 3, 29| zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land
41 3, 30| 30 En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben,
42 3, 35| 35 Dat hij het krijgsvolk zou zenden
43 3, 36| 36 En dat hij vreemde kinderen zou
44 3, 36| in al hun landpalen, en dat hij hun land door het lot
45 3, 42| en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden,
46 3, 42| ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden
47 3, 56| en die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou wederkeren
48 3, 59| 59 Want het is beter dat wij in de strijd sterven,
49 3, 59| in de strijd sterven, dan dat wij zouden aanzien de ellenden
50 4, 7 | leger der heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was,
51 4, 10| ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn,
52 4, 11| de volken zullen verstaan dat er één is, die Israël verlost
53 4, 12| hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;~
54 4, 20| 20 En zag dat de hunnen in de vlucht waren,
55 4, 20| hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand
56 4, 21| vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het
57 4, 24| tot God in de hemel, want dat is goed, dewijl zijn barmhartigheid
58 4, 35| volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende,
59 4, 41| gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen,
60 4, 44| altaar des brandoffers, dat ontheiligd was.~
61 4, 45| worde, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen
62 4, 53| altaar der brandoffers, dat zij gemaakt hadden;~
63 4, 54| dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op deze
64 4, 59| vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen der inwijding van
65 5, 1 | heidenen daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en
66 5, 1 | ingewijd was als tevoren, dat zij zeer toornig werden.~
67 5, 15| 15 Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd
68 5, 26| 26 En dat velen van hen gekregen waren
69 5, 27| 27 En dat zijn ook in al die overige
70 5, 27| Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich
71 5, 30| ziet daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende
72 5, 31| 31 En Judas zag dat de strijd was aangevangen,
73 5, 34| leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij
74 5, 42| mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.~
75 5, 43| weg, en vloden in het bos, dat te Karnaïn was.~
76 5, 51| 51 En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen,
77 5, 51| het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren
78 5, 58| 58 En het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven
79 5, 61| en zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad
80 5, 65| kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en
81 6, 1 | de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een
82 6, 2 | 2 En dat de tempel, die daarin was,
83 6, 2 | daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen,
84 6, 5 | hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het
85 6, 6 | 6 En dat Lysias met een sterke macht
86 6, 6 | vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren
87 6, 7 | 7 En dat zij verbroken hadden de
88 6, 7 | gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk
89 6, 8 | koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd
90 6, 9 | vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.~
91 6, 12| gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan;
92 6, 12| Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren
93 6, 12| daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners
94 6, 13| 13 Ik beken dat om dezer dingen wil mij
95 6, 15| koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus
96 6, 17| 17 En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was,
97 6, 29| veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.~
98 6, 43| de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;~
99 6, 53| waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten.~
100 6, 55| 55 Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning
101 6, 56| hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich
102 6, 57| en elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden
103 6, 59| En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar
104 6, 62| gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.~
105 7, 2 | koninklijke huis zijner vaderen, dat het krijgsvolk Antiochus
106 7, 7 | het land des konings, en dat hij hem, en allen, die hem
107 7, 11| woorden niet, want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht
108 7, 20| liet bij hem krijgsvolk, dat hem zou helpen; en Bacchides
109 7, 24| zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten
110 7, 25| 25 En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren
111 7, 25| sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan,
112 7, 26| vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.~
113 7, 30| zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen
114 7, 31| 31 En Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is
115 7, 33| te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd
116 7, 35| ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden.
117 7, 37| hebt dit huis uitverkoren, dat uw naam daarin zou aangeroepen
118 7, 37| zou aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn een
119 7, 42| overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk
120 7, 44| 44 Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen
121 7, 49| 49 En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou
122 8, 1 | hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte,
123 8, 1 | machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al
124 8, 1 | hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten
125 8, 1 | die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.~
126 8, 2 | hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden,
127 8, 3 | van zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle
128 8, 3 | van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden
129 8, 4 | grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks
130 8, 5 | 5 En dat zij Filippus, en Perseus,
131 8, 6 | zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.~
132 8, 7 | 7 En dat zij hem levend gekregen
133 8, 8 | hun schoonste landen, en dat zij, die van hem ontvangen
134 8, 10| 10 Dat zij een krijgsoverste tegen
135 8, 10| hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen
136 8, 11| 11 En dat zij de overige koninkrijken
137 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en
138 8, 12| vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken,
139 8, 12| waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden,
140 8, 13| 13 En dat allen, die zij wilden helpen
141 8, 13| helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij
142 8, 13| regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden,
143 8, 13| zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;~
144 8, 14| 14 En dat in deze allen niemand van
145 8, 15| 15 Maar dat zij zichzelf een Raad hadden
146 8, 15| Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig
147 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden
148 8, 16| heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam
149 8, 16| ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid
150 8, 18| nemen, overmits zij zagen dat het rijk der Grieken Israël
151 8, 20| zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden
152 8, 23| 23 Dat het de Romeinen en het volk
153 8, 28| artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog.~
154 8, 30| of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun eigen
155 8, 30| zullen doen of daar afdoen, dat zal bondig wezen.~
156 9, 6 | menigte des krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij
157 9, 7 | 7 Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was,
158 9, 7 | zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd
159 9, 9 | af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons
160 9, 10| 10 En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik
161 9, 10| Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen,
162 9, 10| zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden;
163 9, 14| 14 En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste
164 9, 16| linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld
165 9, 23| geschiedde na de dood van Judas, dat alle verbrekers der wet
166 9, 23| tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid
167 9, 27| was geweest van de dag af, dat er geen profeet was onder
168 9, 29| 29 Van dat uw broeder Judas gestorven
169 9, 32| 32 En Bacchides dat vernemende, zocht hem te
170 9, 33| allen die met hem waren, dat vernemende, vloden in de
171 9, 35| vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel
172 9, 36| Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer
173 9, 37| broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een
174 9, 37| grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid,
175 9, 46| nu tot God in de hemel, dat gij uit de handen der vijanden
176 9, 54| tweede maand, gebood Alcimus dat de muur van de binnenste
177 9, 57| 57 En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde
178 9, 60| zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met
179 9, 60| zij konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend
180 9, 63| 63 Als Bacchides dat vernam, zo vergaderde hij
181 9, 69| die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen,
182 9, 70| met hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten
183 9, 71| woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken
184 9, 73| volk te richten, en maakte dat de goddelozen in Israël
185 10, 2 | 2 En de koning Demetrius dat horende, vergaderde een
186 10, 5 | gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben,
187 10, 6 | wapenen gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot in de
188 10, 8 | grote vreze, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven
189 10, 11| hij gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen
190 10, 19| Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt
191 10, 19| man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om onze
192 10, 20| gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en
193 10, 20| gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap
194 10, 23| Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen
195 10, 26| 26 Dat gij de verbonden met ons
196 10, 27| En nu blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en
197 10, 30| Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af
198 10, 32| die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zodanige
199 10, 38| aan Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder
200 10, 41| 41 En al dat nog overschiet, dat zij
201 10, 41| En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven
202 10, 41| gelijk in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven
203 10, 46| omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in
204 10, 46| gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had,
205 10, 46| in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.~
206 10, 47| Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met
207 10, 59| Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~
208 10, 62| 62 Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen
209 10, 63| en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak
210 10, 63| enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe
211 10, 64| gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was
212 10, 68| 68 En Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd,
213 10, 72| en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet
214 10, 81| 81 En Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd
215 10, 88| deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan
216 10, 89| gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen
217 11, 2 | de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan,
218 11, 8 | zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht
219 11, 10| 10 Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb
220 11, 17| Alexander het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs.~
221 11, 21| koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~
222 11, 22| en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden,
223 11, 22| het beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste
224 11, 23| verstaan hebbende, beval dat men met de belegering zou
225 11, 28| Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken,
226 11, 29| 29 En de koning vond dat goed, en hij schreef aan
227 11, 33| te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke
228 11, 36| 36 Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle
229 11, 37| 37 En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte
230 11, 37| voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich
231 11, 37| was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo
232 11, 37| het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden
233 11, 37| daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen
234 11, 38| zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen
235 11, 39| En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven,
236 11, 39| Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig
237 11, 40| tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht
238 11, 41| zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar
239 11, 42| Gij zult dan nu wel doen, dat gij mij mannen zendt, die
240 11, 48| En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd
241 11, 53| jonge kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette
242 11, 56| over de vier streken, en dat gij een van de vrienden
243 11, 61| Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.~
244 11, 62| 62 Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius
245 11, 62| krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;~
246 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten
247 11, 67| vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een
248 12, 1 | 1 Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds
249 12, 4 | inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden
250 12, 7 | toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt,
251 12, 17| En wij hebben hun gelast, dat zij ook tot u zouden reizen,
252 12, 18| voorts zult gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.~
253 12, 21| Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn, en dat
254 12, 21| dat zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht
255 12, 22| hebben, zo zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw
256 12, 23| hebben dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen,
257 12, 24| 24 En Jonathan, horende dat de oversten des konings
258 12, 26| zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden,
259 12, 27| ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren
260 12, 28| 28 En de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem
261 12, 34| 34 Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven
262 12, 36| van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en
263 12, 40| 40 En vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk
264 12, 40| mogelijk niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen
265 12, 42| 42 En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht
266 12, 43| gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen
267 12, 50| zij, verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen
268 12, 51| die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn
269 13, 1 | 1 En Simon, horende dat Tryfon een grote krijgsmacht
270 13, 2 | 2 En ziende dat het volk zeer beangst en
271 13, 5 | nu het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen
272 13, 14| Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats
273 13, 14| zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden,
274 13, 15| Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer
275 13, 17| En Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken,
276 13, 20| het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam
277 13, 21| om hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen
278 13, 30| 30 Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, hetwelk
279 13, 34| naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou
280 13, 37| schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.~
281 13, 38| wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de sterkten,
282 13, 39| anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal
283 13, 39| dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer
284 13, 40| opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven wordene,
285 13, 42| koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester
286 13, 45| grote stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde
287 13, 50| En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde
288 13, 51| met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit
289 13, 52| 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met verheuging
290 13, 54| 54 Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot
291 14, 2 | Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen
292 14, 5 | een haven, en hij maakte dat de eilanden der zee een
293 14, 16| Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn
294 14, 17| 17 En horende, dat Simon, zijn broeder, in
295 14, 17| hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd
296 14, 23| heeft ons volk behaagd, dat men die mannen eerlijk zou
297 14, 27| zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was.~
298 14, 29| 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias,
299 14, 29| staande gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote
300 14, 36| geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land
301 14, 40| 40 Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen
302 14, 40| vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon
303 14, 41| 41 En dat het de Joden en de priesters
304 14, 41| de priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester
305 14, 42| 42 Dat hij hun veldoverste zou
306 14, 42| veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat
307 14, 42| dat hij zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden
308 14, 42| hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden
309 14, 43| 43 Dat bij ook zou verzorgen hetgeen
310 14, 43| het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd
311 14, 43| zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het
312 14, 43| zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou
313 14, 43| kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.~
314 14, 46| al het volk, te bepalen dat men Simon naar al deze woorden
315 14, 47| dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn,
316 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift zou worden gesteld
317 14, 48| gesteld in koperen platen, en dat men die zou zetten in de
318 14, 49| 49 En dat het afschrift gelegd zou
319 14, 49| opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen hebben.~ ~
320 15, 3 | weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het
321 15, 6 | 6 En ik laat u toe, dat gij een eigen munt moogt
322 15, 7 | 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom
323 15, 12| 12 Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht
324 15, 12| samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.~
325 15, 19| koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig
326 15, 19| steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van
327 15, 25| en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.~
328 15, 27| maar verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt
329 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen
330 15, 39| Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen,
331 15, 39| de poorten versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen.
332 16, 2 | en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen
333 16, 6 | tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de
334 16, 9 | totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd had.~
335 16, 18| en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp
336 16, 18| te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden
337 16, 19| de oversten over duizend, dat zij bij hem zouden komen,
338 16, 21| aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht,
339 16, 21| omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem
340 16, 22| doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden.~
341 16, 24| hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester
|