Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
helpen 9
helper 1
helpt 1
hem 282
hemel 14
hemzelf 1
hen 218
Frequency    [«  »]
378 zij
355 te
341 dat
282 hem
264 met
246 een
229 hun

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

hem

    Chapter, Verse
1 1, 3 | volken, en dat het land voor hem stil was.~ 2 1, 5 | heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~ 3 1, 7 | die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde 4 1, 31| bedrog, en zij geloofden hem.~ 5 2, 19| koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder 6 2, 24| is, en toelopende doodde hem op het altaar.~ 7 2, 41| sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons 8 2, 52| getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?~ 9 2, 61| en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt 10 2, 65| een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot 11 2, 70| en zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen 12 2, 70| ganse Israël maakte over hem zeer grote rouw.~ ~ ~ 13 3, 2 | 2 En hem hielpen al zijn broeders, 14 3, 6 | goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle 15 3, 11| En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende, heeft 16 3, 11| tegemoet trekkende, heeft hem geslagen en gedood, en vele 17 3, 13| zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, 18 3, 14| bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord des 19 3, 15| En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger 20 3, 15| leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak 21 3, 16| Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig volk.~ 22 3, 23| en zijn leger werd door hem vermorzeld.~ 23 3, 34| 34 En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, 24 3, 34| de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij 25 4, 8 | Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte 26 4, 27| was uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.~ 27 5, 15| 15 Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd waren uit 28 5, 38| verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, 29 5, 40| ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want 30 5, 41| zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig 31 5, 41| overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn.~ 32 5, 43| trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen 33 5, 50| daardoor gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.~ 34 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, 35 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat 36 6, 8 | is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij 37 6, 9 | daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd 38 6, 14| zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse koninkrijk;~ 39 6, 15| 15 En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en 40 6, 15| zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.~ 41 6, 23| wandelen in hetgeen door hem geboden werd, en na te komen 42 6, 29| kwam veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.~ 43 6, 45| liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden, 44 6, 45| zich ter weerszijden van hem.~ 45 6, 46| zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op 46 6, 46| en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.~ 47 6, 56| krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, en dat 48 6, 60| te bieden, en zij namen hem aan.~ 49 6, 63| regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~ 50 7, 2 | Lysias greep, om die tot hem te brengen.~ 51 7, 3 | 3 En als hem deze zaak bekend werd, zeide 52 7, 5 | 5 En tot hem kwamen alle verbrekers der 53 7, 7 | des konings, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen 54 7, 7 | dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.~ 55 7, 9 | goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en 56 7, 9 | hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de kinderen 57 7, 16| 16 En zij geloofden hem; doch zij namen uit hen 58 7, 19| velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enigen 59 7, 20| het land, en hij liet bij hem krijgsvolk, dat hem zou 60 7, 20| bij hem krijgsvolk, dat hem zou helpen; en Bacchides 61 7, 22| 22 En tot hem werden vergaderd allen die 62 7, 23| die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen 63 7, 25| zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, 64 7, 26| en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.~ 65 7, 30| dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd 66 7, 30| gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde 67 7, 31| zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama.~ 68 7, 33| ouderlingen des volks, om hem vreedzaam te begroeten, 69 7, 33| vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, 70 7, 39| Bethoron, en aldaar ontmoette hem het krijgsvolk van Syrië.~ 71 7, 42| hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.~ 72 8, 2 | 2 Want hem werden verhaald hun oorlogen, 73 8, 7 | 7 En dat zij hem levend gekregen hadden, 74 8, 7 | levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen 75 8, 7 | hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, hadden 76 8, 8 | landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, de koning 77 8, 17| zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap 78 8, 31| hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom 79 9, 5 | drieduizend uitgelezen mannen met hem.~ 80 9, 7 | verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart 81 9, 9 | 9 Doch zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij 82 9, 14| waren, voegden zich bij hem.~ 83 9, 19| broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen 84 9, 20| En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over 85 9, 20| bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden:~ 86 9, 29| is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken 87 9, 32| Bacchides dat vernemende, zocht hem te doden.~ 88 9, 33| Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden 89 9, 44| zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, 90 9, 47| te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.~ 91 9, 48| En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, 92 9, 58| Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde 93 9, 59| heen en beraadslaagden met hem.~ 94 9, 60| zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch 95 9, 67| Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen uit de 96 9, 68| geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn raad 97 9, 69| deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij 98 9, 70| dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem vrede 99 9, 70| tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de 100 9, 71| zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken 101 9, 71| en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad 102 9, 72| 72 En hij gaf hem de gevangenen over, die 103 10, 1 | Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als 104 10, 2 | grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~ 105 10, 3 | met vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.~ 106 10, 4 | Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede 107 10, 4 | ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, eer hij 108 10, 5 | het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen 109 10, 6 | 6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk te vergaderen, 110 10, 6 | burcht waren, gebood hij hem over te geven.~ 111 10, 8 | zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om krijgsvolk 112 10, 15| Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen 113 10, 16| vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en 114 10, 17| 17 En hij schreef aan hem brieven en zond die aan 115 10, 17| brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~ 116 10, 20| genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een 117 10, 40| konings uit de plaatsen die hem toebehoren.~ 118 10, 47| en zij hielden het met hem al die tijd.~ 119 10, 53| 53 En tegen hem heb gestreden, en hij en 120 10, 58| koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, 121 10, 58| ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, 122 10, 59| schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~ 123 10, 61| En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen 124 10, 61| verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de 125 10, 62| klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, 126 10, 62| deden; en de koning zette hem bij zich;~ 127 10, 63| zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad, 128 10, 63| midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem 129 10, 63| hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, 130 10, 63| beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige 131 10, 64| uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, 132 10, 65| de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn 133 10, 65| verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, 134 10, 65| vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het 135 10, 74| zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.~ 136 10, 74| broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.~ 137 10, 75| tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting 138 10, 79| 79 En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, 139 10, 79| elkaar ten strijde achter hem.~ 140 10, 81| Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en 141 10, 82| afgemat, en zij werden door hem geslagen en zij vloden;~ 142 10, 86| die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.~ 143 10, 87| Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.~ 144 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden gesp, gelijk 145 10, 89| gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar 146 11, 2 | die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem 147 11, 2 | hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel 148 11, 2 | koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat 149 11, 4 | Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met 150 11, 5 | Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de 151 11, 10| Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven, 152 11, 11| 11 En hij maakte hem veracht, omdat hij zijn 153 11, 15| dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs 154 11, 15| Ptolemeüs toog uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en 155 11, 15| sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht.~ 156 11, 21| koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~ 157 11, 22| hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot Ptolomaïs, 158 11, 22| komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken.~ 159 11, 24| en hij vond genade bij hem.~ 160 11, 25| der Joden beschuldigden hem.~ 161 11, 26| 26 Doch de koning deed hem, gelijk hem gedaan hadden 162 11, 26| koning deed hem, gelijk hem gedaan hadden de koningen, 163 11, 26| hadden de koningen, die voor hem waren geweest, en hij verhoogde 164 11, 26| geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid van 165 11, 27| 27 En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, 166 11, 27| vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn 167 11, 28| vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten.~ 168 11, 37| ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar 169 11, 37| niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al 170 11, 37| vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.~ 171 11, 39| 39 En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem 172 11, 39| hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij 173 11, 39| koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht 174 11, 39| hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef 175 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend 176 11, 45| der stad in, en begonnen hem te bestrijden.~ 177 11, 46| vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door 178 11, 51| koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~ 179 11, 52| Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die 180 11, 52| naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar hij heeft 181 11, 52| bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.~ 182 11, 53| Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en 183 11, 53| werd koning, en hij zette hem de koninklijke hoed op.~ 184 11, 54| 54 En tot hem vergaderden al de krijgsknechten, 185 11, 54| had, en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd op 186 11, 57| 57 En hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, 187 11, 57| zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken 188 11, 59| van Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, 189 11, 59| Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij 190 11, 59| en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.~ 191 11, 62| veel krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;~ 192 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten 193 11, 67| leger der vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden 194 11, 67| zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij 195 11, 69| was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias, 196 11, 72| ziende degenen, die van hem gevloden waren, keerden 197 11, 72| waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen met hem 198 11, 72| hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger 199 12, 1 | de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, 200 12, 24| meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,~ 201 12, 26| wedergekeerd zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt 202 12, 27| Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in 203 12, 28| dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed 204 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot 205 12, 40| En vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk niet zou 206 12, 40| hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo zocht 207 12, 40| zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen.~ 208 12, 41| Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend 209 12, 42| krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.~ 210 12, 43| 43 Maar ontving hem met grote eer, en beval 211 12, 43| met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en 212 12, 43| al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte 213 12, 43| al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen zijn 214 12, 46| 46 En hij, hem gelovende, deed gelijk hij 215 12, 47| en duizend trokken met hem.~ 216 12, 48| Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het 217 12, 48| het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~ 218 12, 50| omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij 219 12, 52| beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden 220 13, 11| zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; 221 13, 12| komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.~ 222 13, 14| Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem 223 13, 14| hem zou strijden, zond tot hem gezanten.~ 224 13, 16| niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.~ 225 13, 17| hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, zond het 226 13, 18| zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen 227 13, 19| talenten; doch hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan 228 13, 20| Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, 229 13, 21| gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij 230 13, 25| Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner 231 13, 26| een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen.~ 232 13, 26| rouw over hem, en beweende hem vele dagen.~ 233 13, 31| koning Antiochus, en doodde hem.~ 234 13, 35| Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en 235 13, 35| deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige 236 13, 35| antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:~ 237 13, 43| daarmee een toren, en nam hem in.~ 238 13, 54| man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste 239 14, 2 | een van zijn oversten om hem levend te krijgen.~ 240 14, 3 | Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, 241 14, 3 | hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde 242 14, 3 | tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~ 243 14, 7 | niemand, die zich tegen hem stelde.~ 244 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, om de 245 14, 18| gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen, die 246 14, 35| aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot 247 14, 38| koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in 248 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn vrienden, en 249 14, 39| vrienden, en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid.~ 250 14, 42| zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden worden, die 251 14, 42| zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden die 252 14, 44| tegen te spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of enige 253 14, 44| land te vergaderen zonder hem, of versierd te worden met 254 15, 10| krijgsmachten kwamen te zamen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon 255 15, 11| koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende 256 15, 12| hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en 257 15, 12| samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.~ 258 15, 13| zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend 259 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, 260 15, 26| 26 En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen mannen, 261 15, 26| tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, 262 15, 27| verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt had, en 263 15, 27| gemaakt had, en werd van hem vervreemd.~ 264 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius, een van zijn 265 15, 28| van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden 266 15, 32| ontzette zich, en verkondigde hem de woorden des konings.~ 267 15, 33| antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van 268 15, 35| en Athenobius antwoordde hem niet een woord;~ 269 15, 36| gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de 270 15, 38| overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet en te 271 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich zou legeren 272 15, 39| tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, 273 15, 41| doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.~ ~ 274 16, 6 | trokken ook over achter hem.~ 275 16, 16| Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, 276 16, 16| de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en 277 16, 18| zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde 278 16, 18| wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou 279 16, 19| over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat hij 280 16, 21| dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.~ 281 16, 22| mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde 282 16, 22| want hij verstond dat zij hem zochten te doden.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License