Chapter, Verse
1 1, 3 | volken, en dat het land voor hem stil was.~
2 1, 5 | heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~
3 1, 7 | die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde
4 1, 31| bedrog, en zij geloofden hem.~
5 2, 19| koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder
6 2, 24| is, en toelopende doodde hem op het altaar.~
7 2, 41| sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons
8 2, 52| getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?~
9 2, 61| en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt
10 2, 65| een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot
11 2, 70| en zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen
12 2, 70| ganse Israël maakte over hem zeer grote rouw.~ ~ ~
13 3, 2 | 2 En hem hielpen al zijn broeders,
14 3, 6 | goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle
15 3, 11| En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende, heeft
16 3, 11| tegemoet trekkende, heeft hem geslagen en gedood, en vele
17 3, 13| zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken,
18 3, 14| bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord des
19 3, 15| En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger
20 3, 15| leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak
21 3, 16| Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig volk.~
22 3, 23| en zijn leger werd door hem vermorzeld.~
23 3, 34| 34 En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten,
24 3, 34| de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij
25 4, 8 | Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte
26 4, 27| was uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.~
27 5, 15| 15 Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd waren uit
28 5, 38| verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken,
29 5, 40| ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want
30 5, 41| zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig
31 5, 41| overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn.~
32 5, 43| trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen
33 5, 50| daardoor gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.~
34 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden,
35 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat
36 6, 8 | is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij
37 6, 9 | daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd
38 6, 14| zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse koninkrijk;~
39 6, 15| 15 En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en
40 6, 15| zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.~
41 6, 23| wandelen in hetgeen door hem geboden werd, en na te komen
42 6, 29| kwam veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.~
43 6, 45| liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden,
44 6, 45| zich ter weerszijden van hem.~
45 6, 46| zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op
46 6, 46| en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.~
47 6, 56| krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, en dat
48 6, 60| te bieden, en zij namen hem aan.~
49 6, 63| regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~
50 7, 2 | Lysias greep, om die tot hem te brengen.~
51 7, 3 | 3 En als hem deze zaak bekend werd, zeide
52 7, 5 | 5 En tot hem kwamen alle verbrekers der
53 7, 7 | des konings, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen
54 7, 7 | dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.~
55 7, 9 | goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en
56 7, 9 | hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de kinderen
57 7, 16| 16 En zij geloofden hem; doch zij namen uit hen
58 7, 19| velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enigen
59 7, 20| het land, en hij liet bij hem krijgsvolk, dat hem zou
60 7, 20| bij hem krijgsvolk, dat hem zou helpen; en Bacchides
61 7, 22| 22 En tot hem werden vergaderd allen die
62 7, 23| die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen
63 7, 25| zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren,
64 7, 26| en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.~
65 7, 30| dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd
66 7, 30| gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde
67 7, 31| zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama.~
68 7, 33| ouderlingen des volks, om hem vreedzaam te begroeten,
69 7, 33| vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer,
70 7, 39| Bethoron, en aldaar ontmoette hem het krijgsvolk van Syrië.~
71 7, 42| hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.~
72 8, 2 | 2 Want hem werden verhaald hun oorlogen,
73 8, 7 | 7 En dat zij hem levend gekregen hadden,
74 8, 7 | levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen
75 8, 7 | hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, hadden
76 8, 8 | landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, de koning
77 8, 17| zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap
78 8, 31| hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom
79 9, 5 | drieduizend uitgelezen mannen met hem.~
80 9, 7 | verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart
81 9, 9 | 9 Doch zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij
82 9, 14| waren, voegden zich bij hem.~
83 9, 19| broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen
84 9, 20| En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over
85 9, 20| bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden:~
86 9, 29| is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken
87 9, 32| Bacchides dat vernemende, zocht hem te doden.~
88 9, 33| Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden
89 9, 44| zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan,
90 9, 47| te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.~
91 9, 48| En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan,
92 9, 58| Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde
93 9, 59| heen en beraadslaagden met hem.~
94 9, 60| zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch
95 9, 67| Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen uit de
96 9, 68| geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn raad
97 9, 69| deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij
98 9, 70| dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem vrede
99 9, 70| tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de
100 9, 71| zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken
101 9, 71| en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad
102 9, 72| 72 En hij gaf hem de gevangenen over, die
103 10, 1 | Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als
104 10, 2 | grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~
105 10, 3 | met vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.~
106 10, 4 | Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede
107 10, 4 | ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, eer hij
108 10, 5 | het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen
109 10, 6 | 6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk te vergaderen,
110 10, 6 | burcht waren, gebood hij hem over te geven.~
111 10, 8 | zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om krijgsvolk
112 10, 15| Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen
113 10, 16| vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en
114 10, 17| 17 En hij schreef aan hem brieven en zond die aan
115 10, 17| brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~
116 10, 20| genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een
117 10, 40| konings uit de plaatsen die hem toebehoren.~
118 10, 47| en zij hielden het met hem al die tijd.~
119 10, 53| 53 En tegen hem heb gestreden, en hij en
120 10, 58| koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra,
121 10, 58| ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter,
122 10, 59| schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~
123 10, 61| En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen
124 10, 61| verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de
125 10, 62| klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen,
126 10, 62| deden; en de koning zette hem bij zich;~
127 10, 63| zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de stad,
128 10, 63| midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem
129 10, 63| hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige,
130 10, 63| beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige
131 10, 64| uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan,
132 10, 65| de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn
133 10, 65| verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden,
134 10, 65| vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het
135 10, 74| zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.~
136 10, 74| broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.~
137 10, 75| tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting
138 10, 79| 79 En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote,
139 10, 79| elkaar ten strijde achter hem.~
140 10, 81| Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en
141 10, 82| afgemat, en zij werden door hem geslagen en zij vloden;~
142 10, 86| die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.~
143 10, 87| Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.~
144 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden gesp, gelijk
145 10, 89| gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar
146 11, 2 | die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem
147 11, 2 | hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel
148 11, 2 | koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat
149 11, 4 | Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met
150 11, 5 | Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de
151 11, 10| Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven,
152 11, 11| 11 En hij maakte hem veracht, omdat hij zijn
153 11, 15| dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs
154 11, 15| Ptolemeüs toog uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en
155 11, 15| sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht.~
156 11, 21| koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.~
157 11, 22| hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot Ptolomaïs,
158 11, 22| komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken.~
159 11, 24| en hij vond genade bij hem.~
160 11, 25| der Joden beschuldigden hem.~
161 11, 26| 26 Doch de koning deed hem, gelijk hem gedaan hadden
162 11, 26| koning deed hem, gelijk hem gedaan hadden de koningen,
163 11, 26| hadden de koningen, die voor hem waren geweest, en hij verhoogde
164 11, 26| geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid van
165 11, 27| 27 En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap,
166 11, 27| vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn
167 11, 28| vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten.~
168 11, 37| ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar
169 11, 37| niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al
170 11, 37| vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.~
171 11, 39| 39 En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem
172 11, 39| hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij
173 11, 39| koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht
174 11, 39| hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef
175 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend
176 11, 45| der stad in, en begonnen hem te bestrijden.~
177 11, 46| vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door
178 11, 51| koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~
179 11, 52| Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die
180 11, 52| naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar hij heeft
181 11, 52| bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.~
182 11, 53| Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en
183 11, 53| werd koning, en hij zette hem de koninklijke hoed op.~
184 11, 54| 54 En tot hem vergaderden al de krijgsknechten,
185 11, 54| had, en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd op
186 11, 57| 57 En hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst,
187 11, 57| zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken
188 11, 59| van Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden,
189 11, 59| Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij
190 11, 59| en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.~
191 11, 62| veel krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;~
192 11, 65| 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten
193 11, 67| leger der vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden
194 11, 67| zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij
195 11, 69| was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias,
196 11, 72| ziende degenen, die van hem gevloden waren, keerden
197 11, 72| waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen met hem
198 11, 72| hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger
199 12, 1 | de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen,
200 12, 24| meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,~
201 12, 26| wedergekeerd zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt
202 12, 27| Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in
203 12, 28| dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed
204 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot
205 12, 40| En vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk niet zou
206 12, 40| hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo zocht
207 12, 40| zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen.~
208 12, 41| Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend
209 12, 42| krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.~
210 12, 43| 43 Maar ontving hem met grote eer, en beval
211 12, 43| met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en
212 12, 43| al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte
213 12, 43| al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen zijn
214 12, 46| 46 En hij, hem gelovende, deed gelijk hij
215 12, 47| en duizend trokken met hem.~
216 12, 48| Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het
217 12, 48| het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~
218 12, 50| omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij
219 12, 52| beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden
220 13, 11| zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe;
221 13, 12| komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.~
222 13, 14| Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem
223 13, 14| hem zou strijden, zond tot hem gezanten.~
224 13, 16| niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.~
225 13, 17| hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, zond het
226 13, 18| zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen
227 13, 19| talenten; doch hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan
228 13, 20| Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen,
229 13, 21| gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij
230 13, 25| Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner
231 13, 26| een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen.~
232 13, 26| rouw over hem, en beweende hem vele dagen.~
233 13, 31| koning Antiochus, en doodde hem.~
234 13, 35| Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en
235 13, 35| deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige
236 13, 35| antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:~
237 13, 43| daarmee een toren, en nam hem in.~
238 13, 54| man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste
239 14, 2 | een van zijn oversten om hem levend te krijgen.~
240 14, 3 | Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces,
241 14, 3 | hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde
242 14, 3 | tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.~
243 14, 7 | niemand, die zich tegen hem stelde.~
244 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, om de
245 14, 18| gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen, die
246 14, 35| aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot
247 14, 38| koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in
248 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn vrienden, en
249 14, 39| vrienden, en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid.~
250 14, 42| zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden worden, die
251 14, 42| zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden die
252 14, 44| tegen te spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of enige
253 14, 44| land te vergaderen zonder hem, of versierd te worden met
254 15, 10| krijgsmachten kwamen te zamen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon
255 15, 11| koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende
256 15, 12| hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en
257 15, 12| samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden verlieten.~
258 15, 13| zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend
259 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome,
260 15, 26| 26 En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen mannen,
261 15, 26| tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver,
262 15, 27| verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt had, en
263 15, 27| gemaakt had, en werd van hem vervreemd.~
264 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius, een van zijn
265 15, 28| van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden
266 15, 32| ontzette zich, en verkondigde hem de woorden des konings.~
267 15, 33| antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van
268 15, 35| en Athenobius antwoordde hem niet een woord;~
269 15, 36| gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de
270 15, 38| overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet en te
271 15, 39| 39 En hij beval hem, dat hij zich zou legeren
272 15, 39| tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen,
273 15, 41| doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.~ ~
274 16, 6 | trokken ook over achter hem.~
275 16, 16| Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende,
276 16, 16| de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en
277 16, 18| zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde
278 16, 18| wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou
279 16, 19| over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat hij
280 16, 21| dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.~
281 16, 22| mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde
282 16, 22| want hij verstond dat zij hem zochten te doden.~
|