Chapter, Verse
1 1, 7 | edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde
2 1, 12| en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom
3 1, 18| 18 En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens,
4 1, 18| Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en
5 1, 18| olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.~
6 1, 22| naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.~
7 1, 23| 23 En hij ging met grote hovaardigheid in het
8 1, 25| mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.~
9 1, 30| en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.~
10 1, 31| tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden
11 1, 32| in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en
12 1, 33| de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen
13 1, 35| bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur,
14 1, 35| grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was
15 1, 67| zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig
16 2, 18| zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele
17 2, 19| Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware
18 2, 24| beefden, en hij ontstak met toorn gelijk het recht is,
19 2, 27| Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende:
20 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd tegen hen.~
21 2, 46| 46 En zij besneden met kracht al de kinderkens
22 2, 54| Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd,
23 2, 58| 58 Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft
24 3, 2 | voerden de krijg van Israël met vreugde.~
25 3, 3 | vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende.~
26 3, 6 | werden, en dat het welging met de behoudenis door zijn
27 3, 13| zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken,
28 3, 14| bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord
29 3, 15| 15 En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger
30 3, 16| Judas ging hem tegemoet met weinig volk.~
31 3, 23| 23 Als hij ophield met spreken, zo viel hij terstond
32 3, 30| te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had,
33 3, 39| 39 En zond met hen veertigduizend mannen
34 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen
35 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende:
36 3, 54| de trompetten en riepen met een grote stem.~
37 3, 60| hemel zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~
38 4, 6 | gezien in het vlakke veld met drieduizend man; doch zij
39 4, 8 | Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte
40 4, 9 | in de Rode zee toen Faraö met grote macht hen vervolgde.~
41 4, 18| en plundert hen daarna met vrijmoedigheid.~
42 4, 29| en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.~
43 4, 33| uw naam kennen, u loven met lofzangen.~
44 4, 40| op de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen
45 4, 44| hielden wat zij zouden doen met het altaar des brandoffers,
46 4, 46| om te antwoorden wat men met deze doen zou.~
47 4, 54| deze is het weder ingewijd, met gezangen, en citers, en
48 4, 54| en citers, en harpen, en met cimbalen.~
49 4, 56| acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en
50 4, 57| voorste deel van de tempel, met gouden kronen en schilden,
51 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders, en de ganse
52 4, 59| zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.~
53 5, 3 | hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en
54 5, 5 | tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun
55 5, 5 | en verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin
56 5, 5 | verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin waren.~
57 5, 8 | 8 En Jazer met haar vlekken ingenomen hebbende,
58 5, 15| Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het ganse Galilea der vreemdelingen,
59 5, 18| Azaria tot oversten des volks met het overige krijgsvolk in
60 5, 23| en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en
61 5, 23| en brachten hen in Judea met grote vreugde.~
62 5, 25| en hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis
63 5, 28| Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de
64 5, 28| de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in,
65 5, 28| en verbrandde deze stad met vuur.~
66 5, 31| ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote
67 5, 31| hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide
68 5, 33| En uitgaande achter hen met drie slagorden, bliezen
69 5, 34| aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en
70 5, 35| haar en verbrandde haar met vuur.~
71 5, 44| brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin
72 5, 44| verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren.
73 5, 48| En stopten de poorten toe met stenen.~
74 5, 49| Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede:~
75 5, 54| gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en
76 5, 58| 58 En het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende,
77 5, 68| hunner goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de
78 6, 4 | vluchtte, en vertrok vandaar met grote droefheid, en keerde
79 6, 6 | 6 En dat Lysias met een sterke macht onder de
80 6, 6 | de Joden versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk,
81 6, 7 | eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura,
82 6, 31| vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.~
83 6, 35| mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliën,
84 6, 37| bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk
85 6, 43| Auäran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast,
86 6, 49| 49 En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura
87 6, 56| was van Perzië en Medië, met de krijgsmachten des konings
88 6, 56| krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, en
89 6, 56| rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan,~
90 6, 58| geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun
91 6, 58| vrede met hen maken, en met al hun volk.~
92 6, 63| tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~
93 7, 1 | zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad
94 7, 10| zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in
95 7, 10| vreedzame woorden sprekende met bedrog.~
96 7, 11| want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen
97 7, 14| zaad van Aäron, is gekomen met het krijgsvolk, en die zal
98 7, 15| 15 En hij sprak met hen vreedzame woorden, en
99 7, 23| boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen
100 7, 25| Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren,
101 7, 27| Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij
102 7, 27| Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende, vreedzame
103 7, 28| en ulieden. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik
104 7, 28| uw aangezichten mag zien met vrede.~
105 7, 29| vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.~
106 7, 30| werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was,
107 7, 35| 35 En hij zwoer met gramschap, zeggende: Indien
108 7, 35| het geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat ik
109 7, 35| verbranden. En hij ging heen met grote gramschap.~
110 7, 40| Judas legerde zich in Adasa met drieduizend man, en Judas
111 7, 43| 43 En de legers kwamen met elkander te strijden, op
112 8, 1 | zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen
113 8, 4 | vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen,
114 8, 10| velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen,
115 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die met
116 8, 12| met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap
117 8, 17| hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap
118 8, 20| tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap van
119 8, 24| gemeenschap der wapenen met hen hebben, in hun gebied,~
120 8, 25| Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid des harten
121 8, 26| zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand,
122 8, 28| 28 En die met hen strijden zal niets gegeven
123 8, 29| woorden maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.~
124 9, 1 | zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn
125 9, 4 | op en trokken naar Berea, met twintigduizend man te voet,
126 9, 5 | drieduizend uitgelezen mannen met hem.~
127 9, 11| verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten
128 9, 11| en die met slingers en met bogen vochten hadden de
129 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen ook
130 9, 16| zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op
131 9, 24| hongersnood, en het land viel af met hen.~
132 9, 33| broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende,
133 9, 34| kwam op de dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk over
134 9, 37| bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die
135 9, 39| gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en
136 9, 43| de oever van de Jordaan, met veel krijgsvolk.~
137 9, 44| Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan,
138 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de
139 9, 50| Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en
140 9, 55| dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn
141 9, 56| stierf in dezelfde tijd met grote pijn.~
142 9, 58| zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust,
143 9, 59| reisden heen en beraadslaagden met hem.~
144 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en
145 9, 60| dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen,
146 9, 62| Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar
147 9, 65| het land, en kwam weder met een groot getal.~
148 9, 66| als hij begon te slaan, en met zijn krijgsvolk op te trekken,~
149 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen uit
150 9, 70| zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat
151 10, 3 | Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem
152 10, 4 | Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, eer
153 10, 4 | maken, eer hij vrede make met Alexander tegen ons;~
154 10, 8 | 8 En zij vreesden met grote vreze, als zij hoorden
155 10, 11| opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een
156 10, 20| kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met
157 10, 20| met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.~
158 10, 23| om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee
159 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning
160 10, 26| 26 Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven
161 10, 31| Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar landpalen, en tienden,
162 10, 47| dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun
163 10, 47| geweest; en zij hielden het met hem al die tijd.~
164 10, 54| 54 Laat ons dan nu met elkander vriendschap maken,
165 10, 60| 60 En hij reisde met grote heerlijkheid naar
166 10, 63| zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de
167 10, 66| keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.~
168 10, 66| Jeruzalem met vrede, en met vreugde.~
169 10, 71| vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden, want
170 10, 77| Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend
171 10, 79| Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter
172 10, 84| ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden
173 10, 84| die daarin gevloden waren, met vuur.~
174 10, 85| 85 En die met het zwaard waren omgebracht,
175 10, 85| zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren
176 10, 86| gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.~
177 10, 87| keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren,
178 10, 89| gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een
179 11, 1 | Alexander te bemachtigen met bedrog, en het te brengen
180 11, 2 | 2 En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, en die
181 11, 4 | hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote
182 11, 4 | vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest,
183 11, 6 | koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij
184 11, 7 | 7 En Jonathan reisde met de koning tot de rivier,
185 11, 9 | zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken,
186 11, 15| toog uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij
187 11, 22| schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden,
188 11, 22| komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken.~
189 11, 23| hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan,
190 11, 24| 24 En hij nam met zich zilver, en goud en
191 11, 41| en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken,
192 11, 48| en riepen tot de koning met smeking,~
193 11, 53| Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning,
194 11, 60| verbrandde haar voorsteden met vuur, en plunderde ze.~
195 11, 62| Kades in Galilea waren, met veel krijgsvolk, willende
196 11, 66| Doch Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer
197 11, 72| tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun
198 12, 1 | Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder
199 12, 4 | elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden in
200 12, 10| en vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen,
201 12, 16| gemeenschap van wapenen met hen weder te vernieuwen.~
202 12, 24| konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan
203 12, 27| Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken,
204 12, 28| hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd
205 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het niet
206 12, 34| wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde
207 12, 35| het volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten te
208 12, 41| Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten
209 12, 42| Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was
210 12, 43| 43 Maar ontving hem met grote eer, en beval hem
211 12, 45| enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met
212 12, 45| met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs,
213 12, 47| Galilea, en duizend trokken met hem.~
214 12, 48| grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met
215 12, 48| met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~
216 12, 49| te verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.~
217 12, 50| en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden
218 12, 52| beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij
219 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een grote stem zeggende:
220 13, 11| de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar
221 13, 12| brak op van Ptolomaïs, om met grote macht in het land
222 13, 19| talenten; doch hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan
223 13, 27| een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren
224 13, 31| Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus,
225 13, 33| Judea op, en bemuurde ze met hoge torens, en grote muren
226 13, 37| ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede,
227 13, 45| stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen, hun
228 13, 45| verscheurende, en riepen met een grote stem, biddende
229 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze
230 13, 51| honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken,
231 13, 51| lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen,
232 13, 51| palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel,
233 13, 51| citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen
234 13, 51| cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat
235 13, 52| in, dat die dag jaarlijks met verheuging zou gevierd worden.~
236 13, 53| en hij ging daar wonen met al de zijnen.~
237 14, 8 | een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn
238 14, 9 | straten, en spraken allen met elkander van goede dingen,
239 14, 10| proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om
240 14, 11| en Israël verheugde zich met grote verheuging.~
241 14, 18| gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen,
242 14, 18| die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn
243 14, 22| de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~
244 14, 24| Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild
245 14, 24| duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap
246 14, 29| worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt.~
247 14, 39| en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid.~
248 14, 44| hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met
249 14, 44| met een purperen kleed en met een gouden gesp.~
250 15, 9 | de tempel, verheerlijken met grote heerlijkheid, zodat
251 15, 13| legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend
252 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome,
253 15, 19| gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.~
254 15, 27| verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt had,
255 15, 28| een van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide:
256 15, 32| van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk,
257 15, 36| keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde
258 15, 36| de koning werd vertoornd met grote toorn.~
259 16, 3 | de hulp uit de hemel zij met ulieden.~
260 16, 8 | trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht
261 16, 10| waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van dezen
262 16, 10| weder naar het land Juda met vrede.~
263 16, 15| zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte,
264 16, 16| stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen
|