Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
menigte 15
mens 3
mensen 6
met 264
metaalmijnen 1
meteen 2
metgezel 1
Frequency    [«  »]
355 te
341 dat
282 hem
264 met
246 een
229 hun
218 hen

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

met

    Chapter, Verse
1 1, 7 | edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde 2 1, 12| en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom 3 1, 18| 18 En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, 4 1, 18| Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en 5 1, 18| olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.~ 6 1, 22| naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.~ 7 1, 23| 23 En hij ging met grote hovaardigheid in het 8 1, 25| mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.~ 9 1, 30| en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.~ 10 1, 31| tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden 11 1, 32| in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en 12 1, 33| de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen 13 1, 35| bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, 14 1, 35| grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was 15 1, 67| zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig 16 2, 18| zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele 17 2, 19| Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware 18 2, 24| beefden, en hij ontstak met toorn gelijk het recht is, 19 2, 27| Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: 20 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd tegen hen.~ 21 2, 46| 46 En zij besneden met kracht al de kinderkens 22 2, 54| Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, 23 2, 58| 58 Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft 24 3, 2 | voerden de krijg van Israël met vreugde.~ 25 3, 3 | vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende.~ 26 3, 6 | werden, en dat het welging met de behoudenis door zijn 27 3, 13| zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, 28 3, 14| bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord 29 3, 15| 15 En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger 30 3, 16| Judas ging hem tegemoet met weinig volk.~ 31 3, 23| 23 Als hij ophield met spreken, zo viel hij terstond 32 3, 30| te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, 33 3, 39| 39 En zond met hen veertigduizend mannen 34 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen 35 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: 36 3, 54| de trompetten en riepen met een grote stem.~ 37 3, 60| hemel zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~ 38 4, 6 | gezien in het vlakke veld met drieduizend man; doch zij 39 4, 8 | Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte 40 4, 9 | in de Rode zee toen Faraö met grote macht hen vervolgde.~ 41 4, 18| en plundert hen daarna met vrijmoedigheid.~ 42 4, 29| en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.~ 43 4, 33| uw naam kennen, u loven met lofzangen.~ 44 4, 40| op de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen 45 4, 44| hielden wat zij zouden doen met het altaar des brandoffers, 46 4, 46| om te antwoorden wat men met deze doen zou.~ 47 4, 54| deze is het weder ingewijd, met gezangen, en citers, en 48 4, 54| en citers, en harpen, en met cimbalen.~ 49 4, 56| acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en 50 4, 57| voorste deel van de tempel, met gouden kronen en schilden, 51 4, 59| 59 En Judas met zijn broeders, en de ganse 52 4, 59| zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.~ 53 5, 3 | hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en 54 5, 5 | tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun 55 5, 5 | en verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin 56 5, 5 | verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin waren.~ 57 5, 8 | 8 En Jazer met haar vlekken ingenomen hebbende, 58 5, 15| Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het ganse Galilea der vreemdelingen, 59 5, 18| Azaria tot oversten des volks met het overige krijgsvolk in 60 5, 23| en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en 61 5, 23| en brachten hen in Judea met grote vreugde.~ 62 5, 25| en hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis 63 5, 28| Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de 64 5, 28| de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, 65 5, 28| en verbrandde deze stad met vuur.~ 66 5, 31| ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote 67 5, 31| hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide 68 5, 33| En uitgaande achter hen met drie slagorden, bliezen 69 5, 34| aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en 70 5, 35| haar en verbrandde haar met vuur.~ 71 5, 44| brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin 72 5, 44| verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. 73 5, 48| En stopten de poorten toe met stenen.~ 74 5, 49| Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede:~ 75 5, 54| gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en 76 5, 58| 58 En het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende, 77 5, 68| hunner goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de 78 6, 4 | vluchtte, en vertrok vandaar met grote droefheid, en keerde 79 6, 6 | 6 En dat Lysias met een sterke macht onder de 80 6, 6 | de Joden versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk, 81 6, 7 | eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura, 82 6, 31| vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.~ 83 6, 35| mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliën, 84 6, 37| bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk 85 6, 43| Auäran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, 86 6, 49| 49 En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura 87 6, 56| was van Perzië en Medië, met de krijgsmachten des konings 88 6, 56| krijgsmachten des konings die met hem getrokken waren, en 89 6, 56| rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan,~ 90 6, 58| geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun 91 6, 58| vrede met hen maken, en met al hun volk.~ 92 6, 63| tegen hem, en nam de stad in met geweld.~ ~ 93 7, 1 | zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad 94 7, 10| zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in 95 7, 10| vreedzame woorden sprekende met bedrog.~ 96 7, 11| want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen 97 7, 14| zaad van Aäron, is gekomen met het krijgsvolk, en die zal 98 7, 15| 15 En hij sprak met hen vreedzame woorden, en 99 7, 23| boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen 100 7, 25| Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, 101 7, 27| Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij 102 7, 27| Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende, vreedzame 103 7, 28| en ulieden. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik 104 7, 28| uw aangezichten mag zien met vrede.~ 105 7, 29| vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.~ 106 7, 30| werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, 107 7, 35| 35 En hij zwoer met gramschap, zeggende: Indien 108 7, 35| het geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat ik 109 7, 35| verbranden. En hij ging heen met grote gramschap.~ 110 7, 40| Judas legerde zich in Adasa met drieduizend man, en Judas 111 7, 43| 43 En de legers kwamen met elkander te strijden, op 112 8, 1 | zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen 113 8, 4 | vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, 114 8, 10| velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, 115 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die met 116 8, 12| met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap 117 8, 17| hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap 118 8, 20| tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap van 119 8, 24| gemeenschap der wapenen met hen hebben, in hun gebied,~ 120 8, 25| Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid des harten 121 8, 26| zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, 122 8, 28| 28 En die met hen strijden zal niets gegeven 123 8, 29| woorden maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.~ 124 9, 1 | zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn 125 9, 4 | op en trokken naar Berea, met twintigduizend man te voet, 126 9, 5 | drieduizend uitgelezen mannen met hem.~ 127 9, 11| verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten 128 9, 11| en die met slingers en met bogen vochten hadden de 129 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen ook 130 9, 16| zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op 131 9, 24| hongersnood, en het land viel af met hen.~ 132 9, 33| broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, 133 9, 34| kwam op de dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk over 134 9, 37| bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die 135 9, 39| gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en 136 9, 43| de oever van de Jordaan, met veel krijgsvolk.~ 137 9, 44| Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, 138 9, 48| 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de 139 9, 50| Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en 140 9, 55| dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn 141 9, 56| stierf in dezelfde tijd met grote pijn.~ 142 9, 58| zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, 143 9, 59| reisden heen en beraadslaagden met hem.~ 144 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en 145 9, 60| dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, 146 9, 62| Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar 147 9, 65| het land, en kwam weder met een groot getal.~ 148 9, 66| als hij begon te slaan, en met zijn krijgsvolk op te trekken,~ 149 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren, uitgevallen uit 150 9, 70| zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat 151 10, 3 | Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem 152 10, 4 | Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, eer 153 10, 4 | maken, eer hij vrede make met Alexander tegen ons;~ 154 10, 8 | 8 En zij vreesden met grote vreze, als zij hoorden 155 10, 11| opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een 156 10, 20| kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met 157 10, 20| met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.~ 158 10, 23| om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee 159 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning 160 10, 26| 26 Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven 161 10, 31| Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar landpalen, en tienden, 162 10, 47| dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun 163 10, 47| geweest; en zij hielden het met hem al die tijd.~ 164 10, 54| 54 Laat ons dan nu met elkander vriendschap maken, 165 10, 60| 60 En hij reisde met grote heerlijkheid naar 166 10, 63| zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van de 167 10, 66| keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.~ 168 10, 66| Jeruzalem met vrede, en met vreugde.~ 169 10, 71| vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden, want 170 10, 77| Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend 171 10, 79| Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter 172 10, 84| ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden 173 10, 84| die daarin gevloden waren, met vuur.~ 174 10, 85| 85 En die met het zwaard waren omgebracht, 175 10, 85| zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren 176 10, 86| gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.~ 177 10, 87| keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, 178 10, 89| gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een 179 11, 1 | Alexander te bemachtigen met bedrog, en het te brengen 180 11, 2 | 2 En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, en die 181 11, 4 | hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote 182 11, 4 | vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, 183 11, 6 | koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij 184 11, 7 | 7 En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, 185 11, 9 | zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, 186 11, 15| toog uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij 187 11, 22| schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, 188 11, 22| komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken.~ 189 11, 23| hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan, 190 11, 24| 24 En hij nam met zich zilver, en goud en 191 11, 41| en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, 192 11, 48| en riepen tot de koning met smeking,~ 193 11, 53| Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, 194 11, 60| verbrandde haar voorsteden met vuur, en plunderde ze.~ 195 11, 62| Kades in Galilea waren, met veel krijgsvolk, willende 196 11, 66| Doch Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer 197 11, 72| tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun 198 12, 1 | Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder 199 12, 4 | elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden in 200 12, 10| en vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, 201 12, 16| gemeenschap van wapenen met hen weder te vernieuwen.~ 202 12, 24| konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan 203 12, 27| Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, 204 12, 28| hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd 205 12, 29| 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het niet 206 12, 34| wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde 207 12, 35| het volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten te 208 12, 41| Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten 209 12, 42| Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was 210 12, 43| 43 Maar ontving hem met grote eer, en beval hem 211 12, 45| enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met 212 12, 45| met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, 213 12, 47| Galilea, en duizend trokken met hem.~ 214 12, 48| grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met 215 12, 48| met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~ 216 12, 49| te verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.~ 217 12, 50| en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden 218 12, 52| beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij 219 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een grote stem zeggende: 220 13, 11| de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar 221 13, 12| brak op van Ptolomaïs, om met grote macht in het land 222 13, 19| talenten; doch hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan 223 13, 27| een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren 224 13, 31| Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, 225 13, 33| Judea op, en bemuurde ze met hoge torens, en grote muren 226 13, 37| ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, 227 13, 45| stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen, hun 228 13, 45| verscheurende, en riepen met een grote stem, biddende 229 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze 230 13, 51| honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, 231 13, 51| lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, 232 13, 51| palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, 233 13, 51| citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen 234 13, 51| cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat 235 13, 52| in, dat die dag jaarlijks met verheuging zou gevierd worden.~ 236 13, 53| en hij ging daar wonen met al de zijnen.~ 237 14, 8 | een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn 238 14, 9 | straten, en spraken allen met elkander van goede dingen, 239 14, 10| proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om 240 14, 11| en Israël verheugde zich met grote verheuging.~ 241 14, 18| gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen, 242 14, 18| die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn 243 14, 22| de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~ 244 14, 24| Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild 245 14, 24| duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap 246 14, 29| worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt.~ 247 14, 39| en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid.~ 248 14, 44| hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met 249 14, 44| met een purperen kleed en met een gouden gesp.~ 250 15, 9 | de tempel, verheerlijken met grote heerlijkheid, zodat 251 15, 13| legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend 252 15, 15| 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, 253 15, 19| gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.~ 254 15, 27| verbrak al hetgeen dat hij met hem tevoren gemaakt had, 255 15, 28| een van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: 256 15, 32| van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, 257 15, 36| keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde 258 15, 36| de koning werd vertoornd met grote toorn.~ 259 16, 3 | de hulp uit de hemel zij met ulieden.~ 260 16, 8 | trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht 261 16, 10| waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van dezen 262 16, 10| weder naar het land Juda met vrede.~ 263 16, 15| zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, 264 16, 16| stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License