Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 En hij vergaderde een zeer sterke krijgsmacht
2 1, 8 | zijn dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.~
3 1, 11| uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk
4 1, 12| Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de
5 1, 15| zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten der
6 1, 18| En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens,
7 1, 18| olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.~
8 1, 22| Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.~
9 1, 30| hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.~
10 1, 32| de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde
11 1, 35| bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, en
12 1, 35| torens; en deze was hun tot een burcht.~
13 1, 36| 36 En stelden daarin een zondig volk, mannen die
14 1, 37| daar; en zij werden tot een grote schrik;~
15 1, 38| leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.~
16 1, 41| 41 En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen,
17 1, 41| van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen,
18 1, 42| heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen
19 1, 44| tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.~
20 1, 46| velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst,
21 1, 56| volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet,
22 1, 58| honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op
23 2, 1 | Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen
24 2, 8 | De tempel is geworden als een man die ongeëerd is.~
25 2, 11| tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~
26 2, 17| Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde,
27 2, 17| overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad,
28 2, 19| antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware het
29 2, 19| hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van
30 2, 23| woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen
31 2, 27| riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: Een
32 2, 27| een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de
33 2, 36| hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten
34 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste:
35 2, 41| 41 En zij besloten een raad op die dag, zeggende:
36 2, 42| macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet
37 2, 43| bij hen, en werden hun tot een versterking.~
38 2, 51| heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam.~
39 2, 53| gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.~
40 2, 54| onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft
41 2, 54| geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.~
42 2, 55| woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden.~
43 2, 57| barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd.~
44 2, 58| 58 Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft
45 2, 65| broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem
46 2, 65| uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.~
47 3, 3 | deed zijn pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen
48 3, 4 | 4 Hij is in zijn werken een leeuw gelijk geworden, en
49 3, 4 | gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die ter jacht
50 3, 10| vergaderde, en van Samarië een grote macht, om tegen Israël
51 3, 13| Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van
52 3, 14| 14 Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt
53 3, 15| voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen,
54 3, 17| kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die
55 3, 20| komen tegen ons, om door een menigte van smaadheid en
56 3, 25| Judas en zijn broederen en een verschrikking begon te vallen
57 3, 27| krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger.~
58 3, 28| krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun dat
59 3, 28| dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden.~
60 3, 30| geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had,
61 3, 31| twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar
62 3, 32| 32 En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk
63 3, 42| en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:~
64 3, 45| Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand
65 3, 54| trompetten en riepen met een grote stem.~
66 3, 56| die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou wederkeren
67 4, 19| zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;~
68 4, 24| wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot
69 4, 25| En op die dag is Israël een grote verlossing geschied.~
70 4, 38| struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op een
71 4, 38| een kreupelbos of als op een van de bergen, en de kamers
72 4, 43| besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats.~
73 4, 45| 45 Zo is hun een goede raad ingevallen, om
74 4, 46| de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat
75 4, 46| geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te
76 4, 47| naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante
77 4, 58| 58 En daar was een zeer grote vreugde onder
78 4, 61| bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben tegen
79 5, 2 | 2 En zij namen een besluit, om het geslacht
80 5, 3 | hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde
81 5, 4 | het volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat
82 5, 6 | Ammon, en hij vond daar een grote macht, en veel volk,
83 5, 12| hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen;~
84 5, 16| zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te
85 5, 31| toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide
86 5, 34| aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van
87 5, 37| zaken vergaderde Timotheüs een ander leger, en legerde
88 5, 38| zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.~
89 5, 45| kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te
90 5, 46| waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang
91 5, 51| leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in
92 5, 54| brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat zij
93 5, 57| 57 Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat ons
94 5, 60| tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk
95 5, 61| broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen.~
96 5, 67| priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden doen,
97 6, 1 | dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom,
98 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië,
99 6, 6 | 6 En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten
100 6, 8 | vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen,
101 6, 11| gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen,
102 6, 11| ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu
103 6, 13| verga van grote droefheid in een vreemd land.~
104 6, 14| 14 En hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde
105 6, 18| zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;~
106 6, 37| houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop
107 6, 37| tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.~
108 6, 40| 40 En een deel van des konings leger
109 6, 43| 43 En Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke
110 6, 44| behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen.~
111 6, 49| besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.~
112 6, 50| Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.~
113 6, 54| en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.~
114 7, 1 | op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen
115 7, 7 | 7 Zend dan nu een man, die gij vertrouwt,
116 7, 8 | koning verkoos Bacchides, een vriend des konings, die
117 7, 10| trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het
118 7, 12| 12 En een vergadering van schriftgeleerden
119 7, 14| 14 Want zij zeiden: Een man, die een priester is
120 7, 14| zij zeiden: Een man, die een priester is uit het zaad
121 7, 16| mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden die
122 7, 18| 18 En een vreze voor hen, en een beving
123 7, 18| En een vreze voor hen, en een beving viel op het ganse
124 7, 19| doodde hen, en wierp hen in een grote put.~
125 7, 22| land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.~
126 7, 26| de koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten,
127 7, 27| Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond
128 7, 37| dat het uw volk zou zijn een huis des gebeds en der smeking;~
129 7, 45| 45 En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat
130 7, 48| zij vierden die dag als een dag van grote verheuging.~
131 8, 4 | vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen,
132 8, 7 | zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting te geven,
133 8, 7 | gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken;~
134 8, 10| 10 Dat zij een krijgsoverste tegen hen
135 8, 14| deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette,
136 8, 14| koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok,
137 8, 15| 15 Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en
138 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden om over
139 8, 16| over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over
140 8, 18| rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij
141 8, 22| zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes en
142 8, 29| Romeinen met het volk der Joden een verbond.~
143 9, 10| verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor
144 9, 24| 24 In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood,
145 9, 27| 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als
146 9, 36| kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen
147 9, 37| dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden,
148 9, 37| grote staat de bruid, die een dochter was van een van
149 9, 37| die een dochter was van een van de grote heren van Kanaän,
150 9, 38| optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.~
151 9, 39| zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis, en grote toebereiding,
152 9, 55| geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken,
153 9, 60| hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij
154 9, 65| land, en kwam weder met een groot getal.~
155 9, 69| uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te
156 10, 2 | dat horende, vergaderde een grote krijgsmacht, en trok
157 10, 11| met vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.~
158 10, 13| 13 En een ieder verliet zijn plaats,
159 10, 16| zeide hij: Zouden wij ook een zodanige man vinden? Laat
160 10, 16| Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze
161 10, 19| hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte,
162 10, 20| hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd
163 10, 20| worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden
164 10, 20| hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende:
165 10, 48| koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde
166 10, 62| klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen,
167 10, 64| uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan,
168 10, 65| vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk,
169 10, 65| van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.~
170 10, 69| was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde
171 10, 70| en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden;
172 10, 73| bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in
173 10, 77| Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters
174 10, 78| het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij,
175 10, 81| Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij
176 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte
177 10, 89| met al haar landpalen tot een erfgift.~ ~
178 11, 9 | Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal
179 11, 13| twee koninklijke hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~
180 11, 13| hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~
181 11, 15| uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij sloeg
182 11, 27| geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste
183 11, 36| 36 Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle
184 11, 36| worden op de heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.~
185 11, 37| zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats;
186 11, 38| 38 En daar was een zekere Tryfon onder degenen
187 11, 56| vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings
188 11, 57| drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en
189 11, 57| purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben.~
190 11, 58| stelde zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten
191 11, 67| dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen hem uit
192 11, 69| vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven,
193 12, 10| vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen,
194 12, 24| Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren,
195 12, 34| hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.~
196 12, 36| hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken
197 12, 39| als koning te regeren, en een koninklijke hoed op te zetten,
198 12, 42| ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde
199 13, 1 | Simon, horende dat Tryfon een grote krijgsmacht bijeenvergaderde,
200 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een grote stem zeggende: Gij
201 13, 11| van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe;
202 13, 26| En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem,
203 13, 27| vader, en van zijn broeders, een gebouw, en trok het op met
204 13, 29| allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze
205 13, 32| hoed van Azië, en bracht een grote plaag over het land.~
206 13, 37| bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven
207 13, 43| stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die
208 13, 43| de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.~
209 13, 44| stad, en daar geschiedde een grote beroerte in de stad.~
210 13, 45| verscheurende, en riepen met een grote stem, biddende Simon,
211 13, 48| en bouwde zichzelf daarin een woonplaats.~
212 13, 51| lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël
213 13, 54| zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft
214 13, 54| was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al het
215 14, 2 | landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem
216 14, 5 | heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat
217 14, 5 | dat de eilanden der zee een ingang vonden.~
218 14, 8 | 8 Maar een ieder bouwde zijn land met
219 14, 12| 12 En een ieder zat onder zijn wijnstok
220 14, 24| Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van
221 14, 35| tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij
222 14, 36| Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit
223 14, 36| heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten onder
224 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn vrienden, en hij
225 14, 41| eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan.~
226 14, 43| geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen
227 14, 44| of versierd te worden met een purperen kleed en met een
228 14, 44| een purperen kleed en met een gouden gesp.~
229 14, 48| omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats.~
230 15, 3 | tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde
231 15, 6 | En ik laat u toe, dat gij een eigen munt moogt slaan voor
232 15, 11| kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~
233 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een schild van duizend ponden.~
234 15, 28| zond aan hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met
235 15, 29| verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en
236 15, 33| Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en
237 15, 35| die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en
238 15, 35| Athenobius antwoordde hem niet een woord;~
239 15, 37| Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar
240 15, 38| koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant,
241 16, 5 | het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te
242 16, 5 | en tussen hen beiden was een beek.~
243 16, 11| Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke
244 16, 15| ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd
245 16, 15| gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg
246 16, 21| 21 En een, vooruitlopende, boodschapte
|