Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dwongen 1
edelsten 1
eed 2
een 246
één 6
eens 2
eenvoudigheid 2
Frequency    [«  »]
341 dat
282 hem
264 met
246 een
229 hun
218 hen
203 tot

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

een

    Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 En hij vergaderde een zeer sterke krijgsmacht 2 1, 8 | zijn dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.~ 3 1, 11| uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk 4 1, 12| Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de 5 1, 15| zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten der 6 1, 18| En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, 7 1, 18| olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.~ 8 1, 22| Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.~ 9 1, 30| hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.~ 10 1, 32| de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde 11 1, 35| bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, en 12 1, 35| torens; en deze was hun tot een burcht.~ 13 1, 36| 36 En stelden daarin een zondig volk, mannen die 14 1, 37| daar; en zij werden tot een grote schrik;~ 15 1, 38| leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.~ 16 1, 41| 41 En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, 17 1, 41| van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, 18 1, 42| heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen 19 1, 44| tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.~ 20 1, 46| velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, 21 1, 56| volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, 22 1, 58| honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op 23 2, 1 | Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen 24 2, 8 | De tempel is geworden als een man die ongeëerd is.~ 25 2, 11| tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~ 26 2, 17| Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, 27 2, 17| overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, 28 2, 19| antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware het 29 2, 19| hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van 30 2, 23| woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen 31 2, 27| riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: Een 32 2, 27| een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de 33 2, 36| hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten 34 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste: 35 2, 41| 41 En zij besloten een raad op die dag, zeggende: 36 2, 42| macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet 37 2, 43| bij hen, en werden hun tot een versterking.~ 38 2, 51| heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam.~ 39 2, 53| gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.~ 40 2, 54| onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft 41 2, 54| geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.~ 42 2, 55| woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden.~ 43 2, 57| barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd.~ 44 2, 58| 58 Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft 45 2, 65| broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem 46 2, 65| uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.~ 47 3, 3 | deed zijn pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen 48 3, 4 | 4 Hij is in zijn werken een leeuw gelijk geworden, en 49 3, 4 | gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die ter jacht 50 3, 10| vergaderde, en van Samarië een grote macht, om tegen Israël 51 3, 13| Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van 52 3, 14| 14 Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt 53 3, 15| voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen, 54 3, 17| kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die 55 3, 20| komen tegen ons, om door een menigte van smaadheid en 56 3, 25| Judas en zijn broederen en een verschrikking begon te vallen 57 3, 27| krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger.~ 58 3, 28| krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun dat 59 3, 28| dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden.~ 60 3, 30| geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, 61 3, 31| twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar 62 3, 32| 32 En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk 63 3, 42| en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:~ 64 3, 45| Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand 65 3, 54| trompetten en riepen met een grote stem.~ 66 3, 56| die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou wederkeren 67 4, 19| zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;~ 68 4, 24| wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot 69 4, 25| En op die dag is Israël een grote verlossing geschied.~ 70 4, 38| struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op een 71 4, 38| een kreupelbos of als op een van de bergen, en de kamers 72 4, 43| besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats.~ 73 4, 45| 45 Zo is hun een goede raad ingevallen, om 74 4, 46| de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat 75 4, 46| geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te 76 4, 47| naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante 77 4, 58| 58 En daar was een zeer grote vreugde onder 78 4, 61| bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben tegen 79 5, 2 | 2 En zij namen een besluit, om het geslacht 80 5, 3 | hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde 81 5, 4 | het volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat 82 5, 6 | Ammon, en hij vond daar een grote macht, en veel volk, 83 5, 12| hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen;~ 84 5, 16| zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te 85 5, 31| toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide 86 5, 34| aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van 87 5, 37| zaken vergaderde Timotheüs een ander leger, en legerde 88 5, 38| zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.~ 89 5, 45| kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te 90 5, 46| waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang 91 5, 51| leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in 92 5, 54| brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat zij 93 5, 57| 57 Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat ons 94 5, 60| tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk 95 5, 61| broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen.~ 96 5, 67| priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden doen, 97 6, 1 | dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, 98 6, 5 | 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, 99 6, 6 | 6 En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten 100 6, 8 | vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, 101 6, 11| gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, 102 6, 11| ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu 103 6, 13| verga van grote droefheid in een vreemd land.~ 104 6, 14| 14 En hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde 105 6, 18| zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;~ 106 6, 37| houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop 107 6, 37| tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.~ 108 6, 40| 40 En een deel van des konings leger 109 6, 43| 43 En Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke 110 6, 44| behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen.~ 111 6, 49| besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.~ 112 6, 50| Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.~ 113 6, 54| en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.~ 114 7, 1 | op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen 115 7, 7 | 7 Zend dan nu een man, die gij vertrouwt, 116 7, 8 | koning verkoos Bacchides, een vriend des konings, die 117 7, 10| trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het 118 7, 12| 12 En een vergadering van schriftgeleerden 119 7, 14| 14 Want zij zeiden: Een man, die een priester is 120 7, 14| zij zeiden: Een man, die een priester is uit het zaad 121 7, 16| mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden die 122 7, 18| 18 En een vreze voor hen, en een beving 123 7, 18| En een vreze voor hen, en een beving viel op het ganse 124 7, 19| doodde hen, en wierp hen in een grote put.~ 125 7, 22| land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.~ 126 7, 26| de koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten, 127 7, 27| Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond 128 7, 37| dat het uw volk zou zijn een huis des gebeds en der smeking;~ 129 7, 45| 45 En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat 130 7, 48| zij vierden die dag als een dag van grote verheuging.~ 131 8, 4 | vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, 132 8, 7 | zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting te geven, 133 8, 7 | gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken;~ 134 8, 10| 10 Dat zij een krijgsoverste tegen hen 135 8, 14| deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette, 136 8, 14| koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok, 137 8, 15| 15 Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en 138 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden om over 139 8, 16| over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over 140 8, 18| rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij 141 8, 22| zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes en 142 8, 29| Romeinen met het volk der Joden een verbond.~ 143 9, 10| verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor 144 9, 24| 24 In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, 145 9, 27| 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als 146 9, 36| kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen 147 9, 37| dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, 148 9, 37| grote staat de bruid, die een dochter was van een van 149 9, 37| die een dochter was van een van de grote heren van Kanaän, 150 9, 38| optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.~ 151 9, 39| zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis, en grote toebereiding, 152 9, 55| geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken, 153 9, 60| hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij 154 9, 65| land, en kwam weder met een groot getal.~ 155 9, 69| uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te 156 10, 2 | dat horende, vergaderde een grote krijgsmacht, en trok 157 10, 11| met vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.~ 158 10, 13| 13 En een ieder verliet zijn plaats, 159 10, 16| zeide hij: Zouden wij ook een zodanige man vinden? Laat 160 10, 16| Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze 161 10, 19| hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte, 162 10, 20| hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd 163 10, 20| worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden 164 10, 20| hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: 165 10, 48| koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde 166 10, 62| klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, 167 10, 64| uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, 168 10, 65| vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk, 169 10, 65| van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.~ 170 10, 69| was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde 171 10, 70| en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; 172 10, 73| bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in 173 10, 77| Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters 174 10, 78| het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, 175 10, 81| Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij 176 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte 177 10, 89| met al haar landpalen tot een erfgift.~ ~ 178 11, 9 | Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal 179 11, 13| twee koninklijke hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~ 180 11, 13| hoeden, een van Azië, en een van Egypte.~ 181 11, 15| uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij sloeg 182 11, 27| geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste 183 11, 36| 36 Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle 184 11, 36| worden op de heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.~ 185 11, 37| zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; 186 11, 38| 38 En daar was een zekere Tryfon onder degenen 187 11, 56| vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings 188 11, 57| drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en 189 11, 57| purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben.~ 190 11, 58| stelde zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten 191 11, 67| dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen hem uit 192 11, 69| vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, 193 12, 10| vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, 194 12, 24| Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, 195 12, 34| hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.~ 196 12, 36| hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken 197 12, 39| als koning te regeren, en een koninklijke hoed op te zetten, 198 12, 42| ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde 199 13, 1 | Simon, horende dat Tryfon een grote krijgsmacht bijeenvergaderde, 200 13, 8 | 8 En zij antwoordden met een grote stem zeggende: Gij 201 13, 11| van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; 202 13, 26| En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, 203 13, 27| vader, en van zijn broeders, een gebouw, en trok het op met 204 13, 29| allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze 205 13, 32| hoed van Azië, en bracht een grote plaag over het land.~ 206 13, 37| bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven 207 13, 43| stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die 208 13, 43| de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.~ 209 13, 44| stad, en daar geschiedde een grote beroerte in de stad.~ 210 13, 45| verscheurende, en riepen met een grote stem, biddende Simon, 211 13, 48| en bouwde zichzelf daarin een woonplaats.~ 212 13, 51| lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël 213 13, 54| zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft 214 13, 54| was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al het 215 14, 2 | landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem 216 14, 5 | heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat 217 14, 5 | dat de eilanden der zee een ingang vonden.~ 218 14, 8 | 8 Maar een ieder bouwde zijn land met 219 14, 12| 12 En een ieder zat onder zijn wijnstok 220 14, 24| Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van 221 14, 35| tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij 222 14, 36| Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit 223 14, 36| heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten onder 224 14, 39| 39 En hij maakte hem een van zijn vrienden, en hij 225 14, 41| eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan.~ 226 14, 43| geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen 227 14, 44| of versierd te worden met een purperen kleed en met een 228 14, 44| een purperen kleed en met een gouden gesp.~ 229 14, 48| omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats.~ 230 15, 3 | tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde 231 15, 6 | En ik laat u toe, dat gij een eigen munt moogt slaan voor 232 15, 11| kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~ 233 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een schild van duizend ponden.~ 234 15, 28| zond aan hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met 235 15, 29| verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en 236 15, 33| Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en 237 15, 35| die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en 238 15, 35| Athenobius antwoordde hem niet een woord;~ 239 15, 37| Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar 240 15, 38| koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, 241 16, 5 | het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te 242 16, 5 | en tussen hen beiden was een beek.~ 243 16, 11| Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke 244 16, 15| ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd 245 16, 15| gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg 246 16, 21| 21 En een, vooruitlopende, boodschapte


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License