Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
huisvrouwen 3
huizen 5
hulp 8
hun 229
hunnen 1
hunnentwil 1
hunner 5
Frequency    [«  »]
282 hem
264 met
246 een
229 hun
218 hen
203 tot
187 om

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

hun

    Chapter, Verse
1 1, 7 | opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl 2 1, 9 | koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;~ 3 1, 13| getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen.~ 4 1, 13| woord dacht hun goed voor hun ogen.~ 5 1, 14| naar de koning, en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen 6 1, 26| grote rouw in Israël, in al hun plaatsen.~ 7 1, 34| gevangen, en verkregen al hun vee.~ 8 1, 35| sterke torens; en deze was hun tot een burcht.~ 9 1, 52| 52 Dat zij hun zonen onbesneden zouden 10 1, 52| zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden 11 1, 57| zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen.~ 12 1, 61| bevel des konings, door hun geweld.~ 13 2, 14| en zijn zonen scheurden hun klederen, en deden zakken 14 2, 30| neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, 15 2, 30| zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat 16 2, 30| kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over 17 2, 31| waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.~ 18 2, 32| achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, 19 2, 36| 36 En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een 20 2, 38| werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, 21 2, 38| en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot 22 2, 38| huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen 23 2, 43| zich bij hen, en werden hun tot een versterking.~ 24 2, 44| 44 En zij brachten hun macht te zamen, en sloegen 25 2, 44| en sloegen de zondaren in hun toorn, en de boze mannen 26 2, 44| toorn, en de boze mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen 27 2, 45| trokken rondom en verbraken hun altaren.~ 28 2, 47| werk werd voorspoedig in hun hand.~ 29 2, 51| daden zij gedaan hebben in hun tijden, en gij zult grote 30 3, 12| 12 En hij heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg 31 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden 32 3, 28| voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn 33 3, 35| Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis van die plaats 34 3, 36| kinderen zou doen wonen in al hun landpalen, en dat hij hun 35 3, 36| hun landpalen, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven.~ 36 3, 40| En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen en legerden 37 3, 41| kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen zeer 38 3, 41| dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen, om de kinderen 39 3, 42| krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende 40 3, 45| waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle 41 3, 47| aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden 42 3, 47| hoofden, en verscheurden hun klederen;~ 43 3, 49| verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~ 44 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: 45 3, 53| wij kunnen bestaan voor hun aangezicht, zo gij ons niet 46 4, 8 | die met hem waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt 47 4, 8 | en schroomt u niet voor hun aanval.~ 48 4, 12| de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij 49 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te strijden, en 50 4, 17| zeide tot het volk: Begeert hun plundering niet, want onze 51 4, 30| 30 En hun sterk leger ziende, bad 52 4, 31| hen beschaamd worden in hun macht en paarden.~ 53 4, 32| 32 Geef hun versaagdheid, en doe de 54 4, 32| en doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en laat 55 4, 32| hen bewogen worden door hun vermorzeling.~ 56 4, 39| 39 En zij verscheurden hun klederen, en maakten zeer 57 4, 39| rouw, en wierpen stof op hun hoofden;~ 58 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht op de aarde, 59 4, 45| 45 Zo is hun een goede raad ingevallen, 60 4, 45| weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde, 61 4, 55| het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden, 62 4, 55| dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.~ 63 4, 59| inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht 64 5, 3 | benauwde hen en kreeg al hun buit.~ 65 5, 4 | en aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden 66 5, 5 | met de ban, en verbrandde hun torens met vuur, met allen 67 5, 6 | veel volk, en Timotheüs, hun overste.~ 68 5, 7 | 7 En hij leverde hun vele veldslagen, en vermorzelde 69 5, 9 | tegen de Israëlieten, die in hun landpalen waren, om hen 70 5, 11| zijn, en Timotheüs voert hun leger aan.~ 71 5, 12| dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al een 72 5, 13| zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen, 73 5, 13| vrouwen gevangen genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, 74 5, 13| genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, en hebben daar 75 5, 14| boden kwamen uit Galilea, hun klederen verscheurd hebbende, 76 5, 16| wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking 77 5, 19| 19 En hij beval hun, zeggende: Weest over dit 78 5, 22| drieduizend man, en zij kregen hun buit.~ 79 5, 25| vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met hun 80 5, 25| hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis 81 5, 28| zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze 82 5, 30| morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet daar 83 5, 39| te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de 84 5, 42| des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens 85 5, 43| aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vloden in 86 5, 45| kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, 87 5, 45| toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, 88 5, 45| vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot 89 5, 59| mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te 90 5, 63| Israël, en al de volken, waar hun naam gehoord werd;~ 91 5, 64| vergaderden bij ben, wensende hun veel geluk.~ 92 5, 68| vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden hunner 93 6, 6 | voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht 94 6, 25| 25 En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen 95 6, 25| tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~ 96 6, 26| zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de 97 6, 27| 27 En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo 98 6, 35| en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd 99 6, 41| ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis 100 6, 52| instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten 101 6, 53| hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende 102 6, 58| met hen maken, en met al hun volk.~ 103 6, 59| 59 En laat ons hun toelaten, dat zij mogen 104 6, 59| zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk tevoren. 105 6, 61| koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken 106 7, 3 | werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten niet.~ 107 7, 5 | in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap 108 7, 11| Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten 109 7, 13| Israël, en zij verzochten hun vrede.~ 110 7, 15| vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden, 111 7, 17| vlees uwer heiligen, en hun bloed vergoten rondom Jeruzalem; 112 7, 22| werden vergaderd allen die hun volk ontroerden, en zij 113 7, 38| zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun 114 7, 38| hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.~ 115 7, 44| dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vloden.~ 116 8, 1 | licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat 117 8, 2 | Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke 118 8, 3 | plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en lankmoedigheid, 119 8, 4 | en dat de overgeblevenen hun jaarlijks schatting gaven;~ 120 8, 7 | zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting te geven, 121 8, 8 | en Lydië, en andere van hun schoonste landen, en dat 122 8, 9 | als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te 123 8, 10| velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, 124 8, 10| genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd 125 8, 10| hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, 126 8, 10| land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken, en hen 127 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen 128 8, 12| hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden;~ 129 8, 16| jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze 130 8, 24| wapenen met hen hebben, in hun gebied,~ 131 8, 25| de gelegenheid des tijds hun zal voorschrijven.~ 132 8, 26| goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder 133 8, 27| bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.~ 134 8, 30| zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al 135 8, 32| hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog 136 9, 3 | honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op.~ 137 9, 11| krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond tegen hen, 138 9, 19| Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven 139 9, 35| vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij 140 9, 38| Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken 141 9, 39| 39 En hun ogen opslaande, zagen zij, 142 9, 39| vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, 143 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden 144 9, 40| de berg; en zij kregen al hun buit.~ 145 9, 42| wraak over het bloed van hun broeder, en keerden weder 146 9, 60| konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.~ 147 9, 66| de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon 148 9, 69| En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze 149 9, 69| nam ook een raad om uit hun land te trekken.~ 150 9, 70| maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij gegeven worden.~ 151 9, 72| nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.~ 152 10, 9 | en hij gaf ze weder aan hun ouders.~ 153 10, 14| verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~ 154 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning 155 10, 33| kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.~ 156 10, 36| dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk betaamt 157 10, 37| die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve 158 10, 37| zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning 159 10, 47| 47 Maar het dacht hun goed dat zij het houden 160 10, 47| met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot 161 10, 55| gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.~ 162 10, 60| beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver 163 10, 60| koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, 164 10, 72| vlucht zijn geslagen in hun eigen land.~ 165 10, 81| zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des 166 10, 81| Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.~ 167 10, 83| hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden 168 11, 12| Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.~ 169 11, 21| 21 En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, 170 11, 32| is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid jegens ons.~ 171 11, 33| 33 Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen van 172 11, 34| deze dingen vergunnen wij hun, van nu af.~ 173 11, 43| koning werd verheugd over hun komst.~ 174 11, 48| gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, 175 11, 50| 50 En zij wierpen hun wapenen weg, en maakten 176 11, 61| baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam 177 11, 63| 63 Is hun tegemoet getrokken; en liet 178 11, 65| mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, 179 11, 68| haar plaatsen, en leverde hun slag.~ 180 11, 72| met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden 181 12, 4 | 4 En zij gaven hun brieven aan de inwoners 182 12, 6 | Joden wensen de Spartiaten, hun broeders, voorspoed.~ 183 12, 17| 17 En wij hebben hun gelast, dat zij ook tot 184 12, 25| land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land 185 12, 28| en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken 186 12, 28| verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.~ 187 12, 31| hij sloeg hen, en kreeg hun buit.~ 188 12, 45| dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf 189 12, 51| vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.~ 190 12, 54| bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit de mensen 191 13, 21| komen door de woestijn, en hun proviand toezenden.~ 192 13, 42| Israël begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: 193 13, 45| met vrouwen en kinderen, hun klederen verscheurende, 194 13, 45| biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven.~ 195 13, 50| riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven, 196 13, 50| wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar 197 14, 4 | en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.~ 198 14, 6 | hij verbreidde zijn volk hun landpalen, en bemachtigde 199 14, 8 | gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~ 200 14, 20| het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.~ 201 14, 21| zijn verheugd geweest over hun komst.~ 202 14, 23| ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen in de boeken, 203 14, 26| verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en zij 204 14, 29| bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, 205 14, 29| hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden 206 14, 29| gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer 207 14, 30| 30 Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en hun 208 14, 30| hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden was, 209 14, 31| 31 Als hun vijanden in hun land wilden 210 14, 31| 31 Als hun vijanden in hun land wilden invallen, om 211 14, 31| land wilden invallen, om hun land te verwoesten, en hun 212 14, 31| hun land te verwoesten, en hun handen uit te strekken tegen 213 14, 31| handen uit te strekken tegen hun heiligdom;~ 214 14, 32| krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~ 215 14, 34| al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij 216 14, 35| en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, 217 14, 36| en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en 218 14, 40| de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, 219 14, 41| priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester 220 14, 42| 42 Dat hij hun veldoverste zou zijn, en 221 14, 42| worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen, en dat 222 15, 19| en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te 223 15, 19| bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, 224 15, 19| hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen 225 15, 21| dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, 226 15, 21| opdat hij hen straffe naar hun wet.~ 227 16, 15| gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg 228 16, 16| en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen 229 16, 19| zouden komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License