Chapter, Verse
1 1, 7 | opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl
2 1, 9 | koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;~
3 1, 13| getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen.~
4 1, 13| woord dacht hun goed voor hun ogen.~
5 1, 14| naar de koning, en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen
6 1, 26| grote rouw in Israël, in al hun plaatsen.~
7 1, 34| gevangen, en verkregen al hun vee.~
8 1, 35| sterke torens; en deze was hun tot een burcht.~
9 1, 52| 52 Dat zij hun zonen onbesneden zouden
10 1, 52| zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden
11 1, 57| zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen.~
12 1, 61| bevel des konings, door hun geweld.~
13 2, 14| en zijn zonen scheurden hun klederen, en deden zakken
14 2, 30| neder te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen,
15 2, 30| zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat
16 2, 30| kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over
17 2, 31| waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.~
18 2, 32| achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd,
19 2, 36| 36 En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een
20 2, 38| werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen,
21 2, 38| en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot
22 2, 38| huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen
23 2, 43| zich bij hen, en werden hun tot een versterking.~
24 2, 44| 44 En zij brachten hun macht te zamen, en sloegen
25 2, 44| en sloegen de zondaren in hun toorn, en de boze mannen
26 2, 44| toorn, en de boze mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen
27 2, 45| trokken rondom en verbraken hun altaren.~
28 2, 47| werk werd voorspoedig in hun hand.~
29 2, 51| daden zij gedaan hebben in hun tijden, en gij zult grote
30 3, 12| 12 En hij heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg
31 3, 17| 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden
32 3, 28| voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn
33 3, 35| Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis van die plaats
34 3, 36| kinderen zou doen wonen in al hun landpalen, en dat hij hun
35 3, 36| hun landpalen, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven.~
36 3, 40| En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen en legerden
37 3, 41| kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen zeer
38 3, 41| dienstknechten, en zijn in hun leger gekomen, om de kinderen
39 3, 42| krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende
40 3, 45| waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle
41 3, 47| aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden
42 3, 47| hoofden, en verscheurden hun klederen;~
43 3, 49| verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~
44 3, 50| 50 En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende:
45 3, 53| wij kunnen bestaan voor hun aangezicht, zo gij ons niet
46 4, 8 | die met hem waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt
47 4, 8 | en schroomt u niet voor hun aanval.~
48 4, 12| de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij
49 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te strijden, en
50 4, 17| zeide tot het volk: Begeert hun plundering niet, want onze
51 4, 30| 30 En hun sterk leger ziende, bad
52 4, 31| hen beschaamd worden in hun macht en paarden.~
53 4, 32| 32 Geef hun versaagdheid, en doe de
54 4, 32| en doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en laat
55 4, 32| hen bewogen worden door hun vermorzeling.~
56 4, 39| 39 En zij verscheurden hun klederen, en maakten zeer
57 4, 39| rouw, en wierpen stof op hun hoofden;~
58 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht op de aarde,
59 4, 45| 45 Zo is hun een goede raad ingevallen,
60 4, 45| weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde,
61 4, 55| het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden,
62 4, 55| dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.~
63 4, 59| inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht
64 5, 3 | benauwde hen en kreeg al hun buit.~
65 5, 4 | en aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden
66 5, 5 | met de ban, en verbrandde hun torens met vuur, met allen
67 5, 6 | veel volk, en Timotheüs, hun overste.~
68 5, 7 | 7 En hij leverde hun vele veldslagen, en vermorzelde
69 5, 9 | tegen de Israëlieten, die in hun landpalen waren, om hen
70 5, 11| zijn, en Timotheüs voert hun leger aan.~
71 5, 12| dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al een
72 5, 13| zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen,
73 5, 13| vrouwen gevangen genomen, en hun kinderen, en hun huisraad,
74 5, 13| genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, en hebben daar
75 5, 14| boden kwamen uit Galilea, hun klederen verscheurd hebbende,
76 5, 16| wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking
77 5, 19| 19 En hij beval hun, zeggende: Weest over dit
78 5, 22| drieduizend man, en zij kregen hun buit.~
79 5, 25| vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met hun
80 5, 25| hun vertelden al wat met hun broederen in Galaäditis
81 5, 28| zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze
82 5, 30| morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet daar
83 5, 39| te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de
84 5, 42| des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens
85 5, 43| aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vloden in
86 5, 45| kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen,
87 5, 45| toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad,
88 5, 45| vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot
89 5, 59| mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te
90 5, 63| Israël, en al de volken, waar hun naam gehoord werd;~
91 5, 64| vergaderden bij ben, wensende hun veel geluk.~
92 5, 68| vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden hunner
93 6, 6 | voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht
94 6, 25| 25 En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen
95 6, 25| tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~
96 6, 26| zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de
97 6, 27| 27 En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo
98 6, 35| en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd
99 6, 41| ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis
100 6, 52| instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten
101 6, 53| hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende
102 6, 58| met hen maken, en met al hun volk.~
103 6, 59| 59 En laat ons hun toelaten, dat zij mogen
104 6, 59| zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk tevoren.
105 6, 61| koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken
106 7, 3 | werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten niet.~
107 7, 5 | in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap
108 7, 11| Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten
109 7, 13| Israël, en zij verzochten hun vrede.~
110 7, 15| vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen ulieden,
111 7, 17| vlees uwer heiligen, en hun bloed vergoten rondom Jeruzalem;
112 7, 22| werden vergaderd allen die hun volk ontroerden, en zij
113 7, 38| zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun
114 7, 38| hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.~
115 7, 44| dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vloden.~
116 8, 1 | licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat
117 8, 2 | Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke
118 8, 3 | plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en lankmoedigheid,
119 8, 4 | en dat de overgeblevenen hun jaarlijks schatting gaven;~
120 8, 7 | zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting te geven,
121 8, 8 | en Lydië, en andere van hun schoonste landen, en dat
122 8, 9 | als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te
123 8, 10| velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen,
124 8, 10| genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd
125 8, 10| hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd,
126 8, 10| land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken, en hen
127 8, 12| 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen
128 8, 12| hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden;~
129 8, 16| jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze
130 8, 24| wapenen met hen hebben, in hun gebied,~
131 8, 25| de gelegenheid des tijds hun zal voorschrijven.~
132 8, 26| goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder
133 8, 27| bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.~
134 8, 30| zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al
135 8, 32| hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog
136 9, 3 | honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op.~
137 9, 11| krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond tegen hen,
138 9, 19| Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven
139 9, 35| vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij
140 9, 38| Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken
141 9, 39| 39 En hun ogen opslaande, zagen zij,
142 9, 39| vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen,
143 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden
144 9, 40| de berg; en zij kregen al hun buit.~
145 9, 42| wraak over het bloed van hun broeder, en keerden weder
146 9, 60| konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.~
147 9, 66| de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon
148 9, 69| En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze
149 9, 69| nam ook een raad om uit hun land te trekken.~
150 9, 70| maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij gegeven worden.~
151 9, 72| nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.~
152 10, 9 | en hij gaf ze weder aan hun ouders.~
153 10, 14| verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~
154 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning
155 10, 33| kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.~
156 10, 36| dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk betaamt
157 10, 37| die over dezelve zijn en hun oversten zullen uit dezelve
158 10, 37| zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de koning
159 10, 47| 47 Maar het dacht hun goed dat zij het houden
160 10, 47| met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot
161 10, 55| gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.~
162 10, 60| beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver
163 10, 60| koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud,
164 10, 72| vlucht zijn geslagen in hun eigen land.~
165 10, 81| zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des
166 10, 81| Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.~
167 10, 83| hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden
168 11, 12| Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.~
169 11, 21| 21 En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen,
170 11, 32| is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid jegens ons.~
171 11, 33| 33 Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen van
172 11, 34| deze dingen vergunnen wij hun, van nu af.~
173 11, 43| koning werd verheugd over hun komst.~
174 11, 48| gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden,
175 11, 50| 50 En zij wierpen hun wapenen weg, en maakten
176 11, 61| baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam
177 11, 63| 63 Is hun tegemoet getrokken; en liet
178 11, 65| mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar,
179 11, 68| haar plaatsen, en leverde hun slag.~
180 11, 72| met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden
181 12, 4 | 4 En zij gaven hun brieven aan de inwoners
182 12, 6 | Joden wensen de Spartiaten, hun broeders, voorspoed.~
183 12, 17| 17 En wij hebben hun gelast, dat zij ook tot
184 12, 25| land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land
185 12, 28| en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken
186 12, 28| verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.~
187 12, 31| hij sloeg hen, en kreeg hun buit.~
188 12, 45| dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf
189 12, 51| vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.~
190 12, 54| bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit de mensen
191 13, 21| komen door de woestijn, en hun proviand toezenden.~
192 13, 42| Israël begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen:
193 13, 45| met vrouwen en kinderen, hun klederen verscheurende,
194 13, 45| biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven.~
195 13, 50| riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven,
196 13, 50| wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar
197 14, 4 | en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.~
198 14, 6 | hij verbreidde zijn volk hun landpalen, en bemachtigde
199 14, 8 | gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~
200 14, 20| het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.~
201 14, 21| zijn verheugd geweest over hun komst.~
202 14, 23| ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen in de boeken,
203 14, 26| verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en zij
204 14, 29| bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan,
205 14, 29| hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden
206 14, 29| gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer
207 14, 30| 30 Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en hun
208 14, 30| hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden was,
209 14, 31| 31 Als hun vijanden in hun land wilden
210 14, 31| 31 Als hun vijanden in hun land wilden invallen, om
211 14, 31| land wilden invallen, om hun land te verwoesten, en hun
212 14, 31| hun land te verwoesten, en hun handen uit te strekken tegen
213 14, 31| handen uit te strekken tegen hun heiligdom;~
214 14, 32| krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~
215 14, 34| al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij
216 14, 35| en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester,
217 14, 36| en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en
218 14, 40| de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten,
219 14, 41| priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester
220 14, 42| 42 Dat hij hun veldoverste zou zijn, en
221 14, 42| worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen, en dat
222 15, 19| en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te
223 15, 19| bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen,
224 15, 19| hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen
225 15, 21| dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn,
226 15, 21| opdat hij hen straffe naar hun wet.~
227 16, 15| gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg
228 16, 16| en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen
229 16, 19| zouden komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken
|