Chapter, Verse
1 1, 9 | hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;~
2 1, 11| 11 En uit hen is voortgekomen een zondige
3 1, 13| van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben
4 1, 31| 31 En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met bedrog,
5 1, 32| onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag,
6 1, 56| het volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet,
7 1, 65| huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.~
8 2, 16| velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen
9 2, 19| gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst
10 2, 30| vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.~
11 2, 32| 32 En als zij hen achterhaald hadden, hebben
12 2, 32| hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen
13 2, 32| gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg aan op de dag des
14 2, 32| des sabbats, en zeiden tot hen:~
15 2, 35| haastten met de strijd tegen hen.~
16 2, 36| wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet
17 2, 38| En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat,
18 2, 39| hebben zeer grote rouw over hen gemaakt.~
19 2, 42| 42 Toen vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën,
20 2, 43| waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.~
21 2, 69| 69 En hij zegende hen, en werd bij zijn vaderen
22 3, 5 | naarstig zoekende, vervolgde hen, en verbrandde degenen,
23 3, 22| 22 En God zal hen vermorzelen voor onze aangezichten;
24 3, 22| aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.~
25 3, 23| zo viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn leger
26 3, 24| 24 En zij vervolgden hen in de nedergang van Bethoron
27 3, 24| tot het veld toe, en van hen zijn gevallen omtrent achthonderd
28 3, 25| op de volken, die rondom hen waren.~
29 3, 35| krijgsvolk zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël
30 3, 39| 39 En zond met hen veertigduizend mannen en
31 3, 41| der vreemdelingen is bij hen gekomen.~
32 3, 50| doen, en waar zullen wij hen heenbrengen?~
33 4, 2 | het leger der Joden, en hen onvoorziens zouden slaan;
34 4, 5 | en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide
35 4, 9 | toen Faraö met grote macht hen vervolgde.~
36 4, 12| en zagen dat zij tegen hen aankwamen;~
37 4, 15| zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot
38 4, 15| Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend man.~
39 4, 16| krijgsvolk keerden weder van hen te vervolgen;~
40 4, 18| onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna
41 4, 18| bestrijdt hen, en plundert hen daarna met vrijmoedigheid.~
42 4, 28| en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.~
43 4, 29| Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.~
44 4, 31| uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden in hun
45 4, 32| sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun
46 4, 33| 33 Werp hen terneder door het zwaard
47 4, 34| vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neder.~
48 5, 2 | allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder
49 5, 3 | belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag,
50 5, 3 | grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit.~
51 5, 5 | 5 Besloot hij hen in de torens, en legerde
52 5, 5 | torens, en legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met de
53 5, 5 | tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde
54 5, 7 | veldslagen, en vermorzelde hen voor zijn aangezicht, en
55 5, 7 | zijn aangezicht, en sloeg hen.~
56 5, 9 | hun landpalen waren, om hen te verdelgen.~
57 5, 16| verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.~
58 5, 21| aangezicht, en hij vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs
59 5, 23| zij hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde.~
60 5, 25| ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, en
61 5, 26| 26 En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra,
62 5, 27| en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één
63 5, 33| 33 En uitgaande achter hen met drie slagorden, bliezen
64 5, 34| aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag,
65 5, 34| grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend
66 5, 38| rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, een zeer grote
67 5, 39| de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben
68 5, 39| strijden. En Judas trok hen tegemoet.~
69 5, 43| eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok
70 5, 47| Zo sloten die van de stad hen buiten,~
71 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame
72 5, 54| brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat
73 5, 58| En het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende,
74 5, 59| stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.~
75 6, 10| vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van mijn
76 6, 19| verzamelde al het volk om hen te belegeren.~
77 6, 20| vergaderd zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste
78 6, 20| jaar, en bij maakte tegen hen stormgereedschap en andere
79 6, 21| Israël voegden zich bij hen, en zij reisden naar de
80 6, 27| doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.~
81 6, 34| wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger
82 6, 47| krijgsvolk, weken zij van hen af.~
83 6, 48| konings leger waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem,
84 6, 54| plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren
85 6, 58| geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk.~
86 6, 60| oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden,
87 7, 4 | 4 Het krijgsvolk doodde hen, en Demetrius ging zitten
88 7, 15| 15 En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer
89 7, 16| hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde
90 7, 16| zestig mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden
91 7, 17| en zij hadden niemand die hen begroef.~
92 7, 18| 18 En een vreze voor hen, en een beving viel op het
93 7, 18| waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond
94 7, 19| het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote
95 7, 19| hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.~
96 7, 25| koning, en beschuldigde hen van boze stukken.~
97 7, 34| 34 Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde
98 7, 34| bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en
99 7, 34| belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig.~
100 7, 38| over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen.
101 7, 41| uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.~
102 7, 45| 45 En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af,
103 7, 45| Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.~
104 7, 46| de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen
105 7, 46| zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.~
106 8, 1 | met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig
107 8, 2 | tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en hen
108 8, 2 | hen overwonnen hadden, en hen onder schatting hadden gebracht.~
109 8, 3 | de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren.~
110 8, 4 | uiterste der aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij
111 8, 4 | gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen
112 8, 4 | hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag
113 8, 5 | van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de strijd,
114 8, 5 | de strijd, vermorzeld en hen overwonnen hadden;~
115 8, 6 | koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken,
116 8, 6 | krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.~
117 8, 9 | besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak
118 8, 10| een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen
119 8, 10| hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat
120 8, 10| dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen
121 8, 10| vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun
122 8, 10| hun sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende,
123 8, 11| koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden,
124 8, 12| hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap
125 8, 12| die hun naam hoorden, voor hen vreesden;~
126 8, 14| in deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette,
127 8, 16| man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar,
128 8, 16| gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch
129 8, 17| van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap
130 8, 18| 18 En om van hen het juk weg te nemen, overmits
131 8, 21| rede was aangenaam voor hen.~
132 8, 22| naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken
133 8, 23| en de vijand moet ver van hen zijn.~
134 8, 24| gemeenschap der wapenen met hen hebben, in hun gebied,~
135 8, 26| zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand,
136 8, 27| overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van
137 8, 28| 28 En die met hen strijden zal niets gegeven
138 8, 31| de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem
139 9, 6 | het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven.~
140 9, 7 | omdat hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen,
141 9, 8 | tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan.~
142 9, 9 | weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig
143 9, 10| zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo onze tijd
144 9, 11| hun leger, en stond tegen hen, en de ruiterij was verdeeld
145 9, 15| dezen, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe.~
146 9, 24| en het land viel af met hen.~
147 9, 25| goddeloze mannen en stelde hen tot heren des lands.~
148 9, 26| vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot
149 9, 26| spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte
150 9, 26| brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.~
151 9, 35| bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.~
152 9, 40| rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden hen, en vele
153 9, 40| lage tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten vielen,
154 9, 48| niet over de Jordaan tegen hen.~
155 9, 53| gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem
156 9, 58| Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in één nacht
157 9, 61| vijftig mannen en zij doodden hen.~
158 9, 62| Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi,
159 9, 68| Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten
160 9, 69| zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad
161 10, 24| 24 Ik zal ook aan hen schrijven woorden van vermaning,
162 10, 35| macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen
163 10, 35| hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over
164 10, 36| krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden enigen
165 10, 46| Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.~
166 10, 49| en kreeg de overhand over hen.~
167 10, 60| en hij vond genade bij hen.~
168 10, 61| Doch de koning lette op hen niet.~
169 10, 80| En Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend
170 11, 33| koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas der
171 11, 61| tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde
172 11, 65| ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad
173 11, 67| bergen, en zij ontmoetten hen van voren.~
174 11, 71| En hij keerde weder tot hen, en streed, en hij dreef
175 11, 71| en streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~
176 11, 72| weder tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot
177 12, 1 | verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap
178 12, 1 | Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder
179 12, 3 | gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de vriendschap
180 12, 4 | van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden
181 12, 16| Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen,
182 12, 16| gemeenschap van wapenen met hen weder te vernieuwen.~
183 12, 25| Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want
184 12, 26| het zo geschikt hadden, om hen des nachts te overvallen.~
185 12, 30| 30 En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde
186 12, 30| achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al
187 12, 31| Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit.~
188 12, 35| volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten te bouwen
189 12, 51| 51 En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het
190 12, 53| alle heidenen, die rondom hen waren, zochten hen te verdelgen,~
191 12, 53| rondom hen waren, zochten hen te verdelgen,~
192 12, 54| overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat
193 13, 3 | 3 En vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet
194 13, 3 | vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf, wat ik en
195 13, 21| doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen door de
196 13, 47| Simon liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen niet,
197 13, 47| bewegen over hen, en verdelgde hen niet, maar wierp hen uit
198 13, 47| verdelgde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde
199 13, 49| hongersnood, en velen van hen stierven van honger.~
200 13, 50| hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde
201 14, 10| proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap
202 14, 12| vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.~
203 14, 13| 13 Want die hen bestreden hielden op in
204 14, 24| ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap
205 14, 26| ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan
206 15, 19| en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun
207 15, 19| aannemen met degene, die hen beoorlogen.~
208 15, 20| hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen.~
209 15, 21| hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.~
210 16, 2 | en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en
211 16, 5 | voet en te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was
212 16, 5 | ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek.~
213 16, 6 | legerde zich recht tegenover hen; en als hij zag dat het
214 16, 8 | geslagen, en daar vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen
215 16, 9 | maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron,
216 16, 13| Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.~
217 16, 15| zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine
218 16, 22| om te brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij
|