Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En doortrok tot aan het uiterste der aarde,
2 1, 31| 31 En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met
3 1, 35| torens; en deze was hun tot een burcht.~
4 1, 37| die daar; en zij werden tot een grote schrik;~
5 1, 42| feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot
6 1, 42| tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer
7 1, 42| versmaadheid, en haar eer tot verachting.~
8 1, 44| koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een
9 1, 55| offeren zouden van stad tot stad.~
10 1, 56| van het volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet
11 1, 62| gevonden werden van maand tot maand in al de steden.~
12 2, 16| velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn
13 2, 17| antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: Gij
14 2, 18| dan, komt gij het eerst tot ons, en doe het bevel des
15 2, 32| dag des sabbats, en zeiden tot hen:~
16 2, 38| hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen der mensen.~
17 2, 40| 40 En een man zeide tot zijn naaste: Indien wij
18 2, 43| zich bij hen, en werden hun tot een versterking.~
19 2, 49| Mattathias zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed
20 2, 52| gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?~
21 2, 61| overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en dat al degenen
22 2, 62| want zijn heerlijkheid zal tot drek en wormen worden.~
23 2, 63| want hij zal wederkeren tot stof, en zijn overleggingen
24 2, 65| hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.~
25 2, 67| 67 En gij zult tot u brengen allen die de wet
26 3, 7 | gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~
27 3, 9 | Zijn naam werd verbreid tot het uiterste der aarde,
28 3, 16| 16 En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron,
29 3, 17| zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die
30 3, 24| de nedergang van Bethoron tot het veld toe, en van hen
31 3, 26| 26 Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken
32 3, 28| zouden zijn een jaar lang tot alle noden.~
33 3, 32| van de rivier Eufraat af tot de landpalen van Egypte
34 3, 41| om de kinderen Israëls tot dienstknechten te verkrijgen,
35 3, 42| vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:~
36 3, 44| bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om te bidden,
37 3, 50| zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat
38 3, 56| 56 En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden,
39 4, 1 | 1 En Gorgias nam tot zich vijfduizend man te
40 4, 8 | 8 Zo zeide Judas tot de mannen die met hem waren:
41 4, 15| zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de
42 4, 15| hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä
43 4, 15| velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en van
44 4, 15| Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend man.~
45 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk: Begeert hun plundering
46 4, 23| 23 En Judas keerde zich tot de plundering van het leger,
47 4, 24| een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat
48 4, 34| van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen, en vielen
49 4, 40| bazuinen alarm, en riepen tot God in de hemel.~
50 4, 45| nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde, daar de
51 5, 4 | die het volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat
52 5, 10| 10 Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema,
53 5, 17| 17 En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies
54 5, 18| van Zacharias en Azaria tot oversten des volks met het
55 5, 18| overige krijgsvolk in Judea tot derzelver bewaring.~
56 5, 21| aangezicht, en hij vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs
57 5, 22| daar vielen van de heidenen tot drieduizend man, en zij
58 5, 23| 23 Zij namen tot zich die van Galilea, en
59 5, 31| geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten
60 5, 31| grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~
61 5, 34| van hen vielen op die dag tot achtduizend man.~
62 5, 39| de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden.
63 5, 40| 40 En Timotheüs zeide tot de oversten van zijn krijgsvolk,
64 5, 40| hij eerst zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen
65 5, 41| zo zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te
66 5, 45| Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen,
67 5, 46| En als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote
68 5, 49| 49 En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame
69 5, 60| vlucht gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea;
70 5, 60| dag van het volk Israëls tot tweeduizend man, en daar
71 6, 10| vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van
72 6, 11| heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben
73 6, 11| verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin
74 6, 29| zee kwam veel krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.~
75 6, 34| en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te
76 6, 40| konings leger werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige
77 6, 57| zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten
78 6, 57| zeggen tot de koning, en tot de oversten van het krijgsvolk,
79 6, 57| oversten van het krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks
80 6, 60| de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden,
81 7, 2 | en Lysias greep, om die tot hem te brengen.~
82 7, 5 | 5 En tot hem kwamen alle verbrekers
83 7, 10| Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broeders,
84 7, 19| velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en
85 7, 22| 22 En tot hem werden vergaderd allen
86 7, 25| tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde
87 7, 29| 29 En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander
88 7, 30| bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij
89 7, 46| zij keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen
90 8, 1 | maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig
91 8, 10| uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht,
92 8, 10| slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;~
93 8, 11| tegenstonden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden;~
94 8, 18| rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij
95 8, 20| menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met
96 8, 32| ons weder zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen
97 9, 8 | 8 En zeide tot de overgeblevenen: Laat
98 9, 13| elkander van des morgens vroeg tot de avond toe.~
99 9, 15| dezen, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe.~
100 9, 25| goddeloze mannen en stelde hen tot heren des lands.~
101 9, 26| hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte
102 9, 28| bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:~
103 9, 43| op de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan,
104 9, 44| 44 En Jonathan zeide tot degenen die met hem waren:
105 9, 46| 46 Roept dan nu tot God in de hemel, dat gij
106 9, 53| van de overste des lands tot gijzelaars, en hij zette
107 9, 57| gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda
108 9, 70| Jonathan dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem
109 10, 11| rondom met vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden
110 10, 16| vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot
111 10, 16| tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot.~
112 10, 20| wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk,
113 10, 24| van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.~
114 10, 26| in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt
115 10, 36| 36 En uit de Joden zullen tot de krijgslieden des konings
116 10, 36| konings aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men
117 10, 39| heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het
118 10, 41| zullen zij van nu aan geven tot de werken des tempels.~
119 10, 44| 44 En tot het opbouwen en vernieuwen
120 10, 45| rekening des konings; en ook tot het opbouwen van de muren,
121 10, 47| hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest;
122 10, 50| sterk aanhield in de slag, tot de ondergang der zon toe,
123 10, 56| hebt; doch kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkander
124 10, 56| mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, gelijk
125 10, 63| 63 En zeide tot zijn oversten: Gaat uit
126 10, 65| vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk,
127 10, 65| overste van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.~
128 10, 69| zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester,
129 10, 70| ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden;
130 10, 71| op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld,
131 10, 81| volk van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond
132 10, 85| die verbrand werden, waren tot achtduizend man.~
133 10, 89| Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.~ ~
134 11, 3 | in iedere stad krijgsvolk tot bezetting.~
135 11, 4 | oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.~
136 11, 6 | kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid,
137 11, 7 | Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus,
138 11, 8 | hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de
139 11, 22| allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot Ptolomaïs, om met hem te
140 11, 27| geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste
141 11, 35| deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet gedaan
142 11, 40| En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat
143 11, 43| dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning
144 11, 48| verslagen geworden, en riepen tot de koning met smeking,~
145 11, 54| 54 En tot hem vergaderden al de krijgsknechten,
146 11, 57| hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf
147 11, 58| stelde zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten
148 11, 58| de gewesten van Tyrus af, tot de landpalen van Egypte
149 11, 59| helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad
150 11, 61| de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen
151 11, 61| en doorreisde dat land tot Damaskus toe.~
152 11, 71| 71 En hij keerde weder tot hen, en streed, en hij dreef
153 11, 72| gevloden waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen met
154 11, 72| en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger
155 11, 72| hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden
156 11, 73| de vreemden op die dag, tot drieduizend man, en Jonathan
157 12, 9 | van node hebben, als die tot onze troost hebben de heilige
158 12, 17| hun gelast, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten,
159 12, 27| zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de gehele nacht;
160 12, 28| Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren,
161 12, 29| hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen
162 12, 33| en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot de naaste
163 12, 33| land af tot Askalon toe, en tot de naaste sterkten, en week
164 12, 41| En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam
165 12, 41| uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.~
166 12, 45| en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven
167 13, 3 | vermaande hen, en zeide tot hen: Gij weet zelf, wat
168 13, 14| tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten.~
169 13, 16| en twee van zijn zonen tot gijzelaars, opdat, als hij
170 13, 17| hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, zond
171 13, 21| te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen door
172 13, 23| 23 En toen hij tot Bascama naderde, doodde
173 13, 29| allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij
174 13, 30| te Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.~
175 13, 39| mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en
176 13, 50| 50 En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand
177 13, 54| dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft
178 13, 54| geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al
179 14, 3 | kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem
180 14, 5 | zijn heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte
181 14, 10| heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste der aarde.~
182 14, 16| Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan
183 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden,
184 14, 22| gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap,
185 14, 30| hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;~
186 14, 33| zette daarin Joodse mannen tot bezetting.~
187 14, 34| en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde
188 14, 35| aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een
189 14, 35| hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat
190 14, 37| wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land
191 15, 17| gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze
192 15, 21| boze mensen uit hun landen tot u gevloden zijn, levert
193 15, 33| Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land
194 15, 34| erve onzer vaderen weder tot ons gebracht.~
195 15, 36| 36 En hij keerde weder tot de koning met gramschap,
196 15, 38| koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant,
197 15, 40| 40 En Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk
198 16, 2 | Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders,
199 16, 2 | beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en
200 16, 3 | in deze uw jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid.
201 16, 10| 10 En zij vluchtten tot in de torens, die in het
202 16, 10| brand, en van dezen vielen tot tweeduizend man, en hij
203 16, 11| van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke
|